Een Microsoft Intune-implementatie mag nooit direct beginnen met een brede productie-uitrol.
Zelfs wanneer de technische configuratie correct lijkt, kunnen problemen pas zichtbaar worden zodra echte gebruikers, echte applicaties en echte apparaten onderdeel worden van de test.
Daarom is een Intune pilot een essentieel onderdeel van iedere professionele implementatie.
Een goede pilot test niet alleen of policies technisch worden toegepast.
De pilot test de volledige gebruikerservaring:
Device enrollment
↓
Configuration
↓
Applications
↓
Security
↓
Compliance
↓
Conditional Access
↓
Windows Updates
↓
Dagelijks gebruik
↓
Support
In dit artikel leggen we stap voor stap uit hoe u een Microsoft Intune pilot opzet, welke gebruikers u selecteert, wat u moet testen en wanneer u klaar bent voor productie.

Wat is een Microsoft Intune pilot?
Een Intune pilot is een gecontroleerde testfase waarin een beperkte groep gebruikers en apparaten de nieuwe Intune-configuratie gebruikt voordat deze naar de volledige organisatie wordt uitgerold.
Het doel is om problemen vroeg te ontdekken.
Een pilot geeft antwoord op vragen zoals:
- werkt enrollment correct;
- werkt Windows Autopilot;
- worden policies correct toegepast;
- installeren applicaties betrouwbaar;
- werkt compliance;
- blokkeert Conditional Access geen legitieme gebruikers;
- worden updates correct uitgerold;
- kunnen gebruikers productief werken;
- kan de servicedesk problemen oplossen.
Een pilot is dus geen losse technische test.
Het is een production readiness test.
Waarom is een Intune pilot noodzakelijk?
Intune bestaat uit meerdere componenten die elkaar beïnvloeden.
Een configuration profile kan afzonderlijk goed werken.
Een compliance policy kan afzonderlijk goed werken.
Een Conditional Access-policy kan afzonderlijk goed werken.
Maar de combinatie kan alsnog problemen veroorzaken.
Bijvoorbeeld:
Device krijgt policy
↓
Device wordt non-compliant
↓
Conditional Access detecteert non-compliance
↓
Gebruiker wordt geblokkeerd
Technisch kan ieder onderdeel correct werken.
Operationeel kan het resultaat toch onacceptabel zijn.
Daarom moet de volledige keten worden getest.
Test niet alleen techniek, maar ook gebruikerservaring
Een veelgemaakte fout is dat alleen IT-beheerders een pilot uitvoeren.
Dat is onvoldoende.
IT-gebruikers hebben vaak:
- meer technische kennis;
- andere applicaties;
- administratorrechten;
- afwijkende workflows;
- meer begrip van foutmeldingen.
Een finance- of salesgebruiker ervaart een Intune-omgeving anders.
Daarom moet een pilot representatief zijn voor de echte organisatie.
Stap 1 — Definieer het doel van de pilot
Begin met het vastleggen van wat de pilot moet bewijzen.
Bijvoorbeeld:
Nieuwe Windows 11-apparaten moeten via Windows Autopilot volledig kunnen worden ingericht zonder handmatige IT-installatie.
Of:
Corporate Windows-devices moeten veilig kunnen werken met BitLocker, compliance en Conditional Access.
Of:
Privételefoons moeten toegang krijgen tot Outlook terwijl zakelijke data via MAM wordt beschermd.
Een duidelijke doelstelling voorkomt dat de pilot te breed wordt.
Stap 2 — Bepaal de scope
Niet iedere functionaliteit hoeft direct in de eerste pilot te zitten.
Een eerste Windows-pilot kan bijvoorbeeld bestaan uit:
- Microsoft Entra join;
- Intune enrollment;
- Windows Autopilot;
- Microsoft 365 Apps;
- bedrijfsapplicaties;
- OneDrive;
- BitLocker;
- Defender;
- compliance;
- Windows Updates;
- Conditional Access.
Functionaliteit zoals:
- macOS;
- Android;
- iOS;
- specialized devices;
- advanced analytics;
- EPM;
kan eventueel in latere pilots worden getest.
Houd de eerste scope beheersbaar.
Stap 3 — Maak een aparte pilotgroep
Gebruik een duidelijke groep voor pilotgebruikers.
Bijvoorbeeld:
GRP-INTUNE-PILOT-USERS
of:
GRP-WIN-PILOT-RING1
Gebruik deze groep voor:
- policies;
- applications;
- compliance;
- security;
- update rings.
Dit maakt targeting en rollback eenvoudiger.
Stap 4 — Maak ook een pilotdevicegroep
User-based en device-based targeting kunnen verschillende effecten hebben.
Daarom is het verstandig om naast een gebruikersgroep ook een devicegroep beschikbaar te hebben.
Bijvoorbeeld:
GRP-WIN-PILOT-DEVICES
Zo kunt u testen welke configuraties beter naar users of devices worden gestuurd.
Stap 5 — Begin met IT
Een goede pilot kan in meerdere ringen worden opgebouwd.
Bijvoorbeeld:
Ring 0 — Endpoint Team
↓
Ring 1 — IT Pilot
↓
Ring 2 — Business Pilot
↓
Ring 3 — Early Production
↓
Ring 4 — Broad Production
Begin met een kleine groep technisch sterke gebruikers.
Daarna breidt u uit.
Stap 6 — Selecteer representatieve businessgebruikers
Na IT moet de pilot echte bedrijfsrollen bevatten.
Denk bijvoorbeeld aan:
- Finance;
- HR;
- Sales;
- Operations;
- Management;
- Marketing;
- Remote workers.
Selecteer gebruikers die verschillende applicaties en workflows vertegenwoordigen.
Stap 7 — Selecteer niet alleen enthousiaste gebruikers
Veel pilots gebruiken alleen medewerkers die graag nieuwe technologie testen.
Dat geeft een te positief beeld.
Gebruik ook normale eindgebruikers.
Zij geven vaak betere feedback over:
- gebruiksgemak;
- foutmeldingen;
- onboarding;
- performance;
- applicatiegedrag.
Een productieve omgeving moet ook werken voor gebruikers die Intune niet kennen.
Stap 8 — Kies verschillende deviceprofielen
Test niet slechts één hardwaremodel.
Gebruik waar mogelijk verschillende:
- laptops;
- leveranciers;
- hardwaregeneraties;
- Windows-versies.
Dit is vooral belangrijk wanneer de organisatie meerdere hardwaretypen gebruikt.
Stap 9 — Test zowel nieuwe als bestaande apparaten
Nieuwe apparaten gedragen zich anders dan bestaande werkplekken.
Test bijvoorbeeld:
Nieuw apparaat
Windows Autopilot.
Bestaand apparaat
Migratie of enrollment van reeds gebruikte hardware.
Deze scenario’s kunnen verschillende problemen opleveren.
Stap 10 — Test de volledige Autopilot-flow
Voer een volledige test uit vanaf een schoon apparaat.
Test:
Device startup
↓
Internet
↓
Authentication
↓
Autopilot profile
↓
Microsoft Entra join
↓
Intune enrollment
↓
Enrollment Status Page
↓
Applications
↓
Policies
↓
Desktop
Leg de doorlooptijd en eventuele fouten vast.
Stap 11 — Test de Enrollment Status Page
De Enrollment Status Page kan een belangrijke rol spelen tijdens provisioning.
Controleer:
- welke apps blocking zijn;
- welke policies nodig zijn;
- hoe lang provisioning duurt;
- wat er gebeurt bij een failure.
Te veel blocking apps kunnen de deployment kwetsbaar maken.
Stap 12 — Test kritieke applicaties
Identificeer applicaties die noodzakelijk zijn om te kunnen werken.
Bijvoorbeeld:
- Microsoft 365 Apps;
- Teams;
- browser;
- VPN-client;
- ERP-client;
- financiële software;
- security agents.
Iedere kritieke applicatie moet aantoonbaar betrouwbaar installeren.
Stap 13 — Test optionele applicaties
Niet iedere applicatie hoeft automatisch te worden geïnstalleerd.
Test ook Company Portal.
Controleer of gebruikers:
- de app kunnen vinden;
- deze kunnen installeren;
- begrijpen waarvoor de app dient;
- correcte statusinformatie zien.
Selfservice kan servicedeskdruk verminderen.
Stap 14 — Test applicatie-uninstall
Deployment wordt vaak getest.
Uninstall veel minder.
Controleer ook:
- verwijderen;
- vervangen;
- nieuwe versie;
- rollback.
Application lifecycle gaat verder dan installatie alleen.
Stap 15 — Test detection rules
Bij Win32-apps zijn detection rules cruciaal.
Test:
- nieuwe installatie;
- reeds geïnstalleerde app;
- verkeerde versie;
- upgrade;
- uninstall.
Een verkeerde detection rule kan leiden tot eindeloze herinstallaties of foutieve status.
Stap 16 — Test configuration profiles
Controleer niet alleen of een policy “Succeeded” rapporteert.
Controleer ook daadwerkelijk op het endpoint of de gewenste configuratie aanwezig is.
Bijvoorbeeld:
- OneDrive-instellingen;
- browserconfiguratie;
- password policies;
- Wi-Fi;
- VPN;
- Windows-instellingen.
Portalstatus alleen is niet voldoende.
Stap 17 — Test policy conflicts
Maak bewust gebruik van verschillende testscenario’s.
Controleer of instellingen elkaar overlappen.
Denk aan:
- Settings Catalog;
- Administrative Templates;
- Endpoint Security;
- Security Baselines;
- custom policies.
Dezelfde setting via meerdere policytypes beheren verhoogt kans op conflict.
Stap 18 — Test BitLocker volledig
Controleer:
- encryptie wordt gestart;
- device wordt encrypted;
- recovery key wordt opgeslagen;
- recovery key kan worden teruggevonden;
- recoveryprocedure werkt.
Een securitycontrol is pas klaar wanneer ook herstel getest is.
Stap 19 — Test Microsoft Defender-configuratie
Controleer of security policies daadwerkelijk worden toegepast.
Denk aan:
- antivirus;
- firewall;
- attack surface reduction;
- real-time protection;
- security settings.
Controleer ook mogelijke impact op applicaties.
Stap 20 — Test compliance
Maak zowel een compliant als een non-compliant scenario.
Bijvoorbeeld:
Test 1
Device voldoet aan alle requirements.
Resultaat:
Compliant
Test 2
Device voldoet bewust niet aan een requirement.
Resultaat:
Non-compliant
Zo controleert u of detection werkelijk werkt.
Stap 21 — Test Conditional Access apart
Conditional Access kan grote impact hebben.
Test eerst gecontroleerd.
Gebruik bijvoorbeeld:
Report-only
↓
IT
↓
Pilot
↓
Production
Controleer:
- toegestane scenario’s;
- geblokkeerde scenario’s;
- exclusions;
- emergency access.
Stap 22 — Test non-compliance vanuit gebruikersperspectief
Een belangrijk scenario:
Wat ziet een gebruiker wanneer zijn device non-compliant is?
Kan hij begrijpen:
- wat er mis is;
- wat hij moet doen;
- waar support beschikbaar is?
Security zonder duidelijke user experience leidt tot extra servicedesktickets.
Stap 23 — Test Windows Updates
Gebruik de pilot voor updatebeheer.
Controleer:
- update ring;
- deadlines;
- restartmeldingen;
- installatie;
- gebruikersimpact.
Een pilotgroep kan later permanent worden gebruikt voor vroege Windows Updates.
Stap 24 — Test feature updates
Naast maandelijkse updates zijn feature updates belangrijk.
Controleer hoe nieuwe Windows-versies gecontroleerd worden uitgerold.
Gebruik niet meteen de volledige organisatie als eerste doelgroep.
Stap 25 — Test remote workers
Niet iedere gebruiker werkt op kantoor.
Test vanuit:
- thuisnetwerk;
- mobiel internet;
- externe locatie.
Controleer of management nog goed functioneert zonder bedrijfsnetwerk.
Dit is een kernvoordeel van cloudmanagement en moet daarom expliciet worden gevalideerd.
Stap 26 — Test trage verbindingen
Niet iedere gebruiker heeft een snelle internetverbinding.
Test waar mogelijk ook:
- grotere appdownloads;
- Autopilot;
- updates;
- Company Portal.
Dit geeft realistischer inzicht in de user experience.
Stap 27 — Test VPN-dependencies
Als legacyapplicaties VPN nodig hebben, test deze vanaf een echt remote scenario.
Controleer:
- installatie;
- certificaten;
- authentication;
- connectivity;
- access.
Een moderne Intune-laptop kan nog steeds afhankelijk zijn van traditionele infrastructuur.
Stap 28 — Test printing
Printers worden gemakkelijk vergeten.
Controleer:
- kantoorprinters;
- cloudprinting;
- lokale printers;
- specifieke drivers.
Voor veel gebruikers is printing nog steeds bedrijfskritisch.
Stap 29 — Test peripherals
Denk aan:
- docking stations;
- webcams;
- headsets;
- smartcards;
- scanners;
- speciale USB-apparaten.
Endpoint security kan invloed hebben op hardwaregebruik.
Stap 30 — Test verschillende gebruikersrollen
Een gewone medewerker is niet hetzelfde als:
- developer;
- finance user;
- administrator;
- shared workstation user.
Test uitzonderlijke rollen afzonderlijk.
Stap 31 — Test local admin requirements
Controleer welke applicaties of processen onverwacht administratorrechten nodig hebben.
Dit is een goed moment om dergelijke dependencies zichtbaar te maken.
Vraag:
Is local admin werkelijk noodzakelijk?
Of kan het proces worden aangepast?
Stap 32 — Test shared devices
Als shared devices onderdeel zijn van de organisatie, voer daarvoor een aparte pilot uit.
Shared device management heeft andere requirements dan één device per gebruiker.
Stap 33 — Test BYOD apart
BYOD verdient een afzonderlijk scenario.
Bijvoorbeeld:
Privételefoon
↓
Outlook
↓
App Protection Policy
↓
Zakelijke data beschermd
↓
Privédata onaangetast
Controleer security én privacy.
Stap 34 — Test selective wipe
Bij MAM is selective wipe een belangrijk lifecycleproces.
Test wat er gebeurt wanneer:
- gebruiker uit dienst gaat;
- toegang wordt ingetrokken;
- zakelijke data moet verdwijnen.
Controleer dat persoonlijke data behouden blijft waar het ontwerp dat vereist.
Stap 35 — Test offboarding
Een pilot moet ook het einde van de lifecycle testen.
Scenario:
Gebruiker verlaat organisatie
↓
Account wordt gedeactiveerd
↓
Toegang verdwijnt
↓
Device wordt retired/wiped
↓
Zakelijke data verwijderd
Veel implementaties testen onboarding uitgebreid en offboarding nauwelijks.
Stap 36 — Test een verloren device
Simuleer:
Gebruiker meldt een laptop of smartphone als verloren.
Kan IT:
- device identificeren;
- passende remote action uitvoeren;
- toegang beperken;
- incident documenteren?
Dit is een belangrijk securityscenario.
Stap 37 — Test servicedesktoegang
Laat servicedeskmedewerkers echte pilotincidenten behandelen.
Controleer of zij voldoende rechten hebben zonder onnodig brede administratorrechten.
Dit test RBAC in de praktijk.
Stap 38 — Maak troubleshooting-runbooks
Gebruik de pilot om standaardprocedures te ontwikkelen.
Bijvoorbeeld voor:
- enrollment failure;
- Autopilot failure;
- application failure;
- policy failure;
- compliance issue;
- Company Portal issue;
- sync issue.
Pilotproblemen zijn ideale input voor toekomstige servicedeskdocumentatie.
Stap 39 — Verzamel technische metrics
Meet tijdens de pilot bijvoorbeeld:
| Metric | Voorbeeld |
|---|---|
| Autopilot success | % succesvolle deployments |
| Provisioning time | Gemiddelde doorlooptijd |
| App success | % succesvolle installs |
| Compliance | % compliant |
| Policy failures | Aantal errors |
| Incidents | Tickets per gebruiker |
| Update success | % bijgewerkt |
Zo wordt de beslissing over productie minder subjectief.
Stap 40 — Verzamel gebruikersfeedback
Vraag gebruikers gericht naar:
- onboarding;
- snelheid;
- applicaties;
- login;
- updates;
- performance;
- foutmeldingen;
- remote working;
- support.
Gebruik geen algemene vraag als:
Gaat alles goed?
Vraag concreet.
Stap 41 — Gebruik een pilot feedbackformulier
Een eenvoudig formulier kan vragen bevatten zoals:
Hoe lang duurde de installatie?
Ontbrak er software?
Heeft u foutmeldingen gezien?
Werkt thuiswerken correct?
Werken printers en peripherals?
Heeft u contact opgenomen met de servicedesk?
Zo krijgt u consistente feedback.
Stap 42 — Registreer alle issues
Maak een centraal issue register.
Voor ieder probleem legt u vast:
- datum;
- gebruiker;
- device;
- symptoom;
- foutcode;
- impact;
- oorzaak;
- oplossing;
- status.
Dit voorkomt dat dezelfde fout meerdere keren opnieuw wordt onderzocht.
Stap 43 — Classificeer problemen
Gebruik bijvoorbeeld:
Blocker
Productie kan niet doorgaan.
High
Grote gebruikers- of securityimpact.
Medium
Workaround beschikbaar.
Low
Beperkte impact of cosmetisch.
Zo wordt prioritering eenvoudiger.
Stap 44 — Maak duidelijke exitcriteria
Een pilot mag niet eindigen omdat de geplande datum is bereikt.
De pilot eindigt wanneer acceptatiecriteria zijn gehaald.
Bijvoorbeeld:
- geen open blockers;
- kritieke apps werken;
- Autopilot betrouwbaar;
- security werkt;
- compliance correct;
- servicedesk voorbereid;
- documentation bijgewerkt.
Stap 45 — Definieer acceptabele foutpercentages
100% perfectie is niet altijd realistisch.
Bepaal daarom vooraf wat acceptabel is.
Bijvoorbeeld:
Autopilot success > 98%
Critical app success > 99%
Geen security blockers
De exacte percentages moeten passen bij de organisatie.
Het belangrijkste is dat criteria vooraf worden vastgelegd.
Stap 46 — Voer een formele pilot review uit
Organiseer vóór productie een review met bijvoorbeeld:
- Endpoint Team;
- Security;
- Service Desk;
- Application Management;
- Project Lead;
- businessrepresentatives.
Bespreek:
- metrics;
- incidents;
- open risks;
- user feedback;
- documentation.
Stap 47 — Maak een go/no-go beslissing
Gebruik drie mogelijke uitkomsten.
GO
Pilot voldoet aan criteria.
Productie-uitrol kan starten.
CONDITIONAL GO
Kleine bekende risico’s zijn geaccepteerd.
NO-GO
Kritieke issues moeten eerst worden opgelost.
Maak deze beslissing expliciet.
Stap 48 — Start niet meteen met 100% productie
Een succesvolle pilot betekent niet dat u direct de volledige organisatie moet migreren.
Gebruik een gefaseerde rollout.
Bijvoorbeeld:
Pilot
↓
10%
↓
25%
↓
50%
↓
100%
Monitor tussen iedere fase.
Stap 49 — Houd pilotgroepen permanent beschikbaar
De pilotgroep blijft ook na go-live nuttig.
Gebruik deze later voor:
- nieuwe policies;
- nieuwe applicaties;
- Windows Updates;
- feature updates;
- securitywijzigingen.
Een permanente test-ring is onderdeel van volwassen endpointmanagement.
Stap 50 — Maak pilottenants of pilotgroepen niet rommelig
Tijdens pilots worden vaak veel tijdelijke objects aangemaakt.
Bijvoorbeeld:
- Test Policy Final;
- Test Policy Final2;
- App Test New;
- Group Temp.
Ruim deze na afloop op.
Anders begint productie al met technische schuld.
Hoe groot moet een Intune pilot zijn?
Er bestaat geen universeel ideaal aantal.
Een pilot moet vooral representatief zijn.
Een organisatie met 100 medewerkers kan bijvoorbeeld beginnen met:
- 3 IT-gebruikers;
- 5 tot 10 businessgebruikers.
Een organisatie met 10.000 medewerkers kan verschillende pilotgroepen gebruiken met tientallen of honderden deelnemers.
Het belangrijkste criterium is niet alleen aantal.
Het gaat om:
- verschillende rollen;
- verschillende apps;
- verschillende hardware;
- verschillende locaties;
- verschillende use cases.
Hoe lang moet een Intune pilot duren?
Ook hiervoor bestaat geen vaste periode.
Een pilot moet lang genoeg lopen om normale bedrijfsprocessen mee te nemen.
Een paar dagen kan voldoende zijn voor een technische provisioningtest.
Maar voor een echte productiepilot wilt u mogelijk ook testen:
- maandelijkse updates;
- remote working;
- normale support;
- applicatiegebruik;
- securityscenario’s.
Laat de pilot eindigen op criteria, niet alleen op kalenderdatum.
Intune pilot checklist
Gebruik vóór productie minimaal deze checklist:
- Pilotdoelen vastgesteld
- Scope bepaald
- IT-testgroep ingericht
- Businesspilotgroep ingericht
- Representatieve devices geselecteerd
- Nieuwe devices getest
- Bestaande devices getest
- Autopilot getest
- Enrollment Status Page getest
- Kritieke apps getest
- Company Portal getest
- Detection rules getest
- Configuration Profiles getest
- Policy conflicts gecontroleerd
- BitLocker getest
- Defender getest
- Compliance getest
- Conditional Access getest
- Windows Updates getest
- Remote working getest
- VPN getest
- Printing getest
- Peripherals getest
- BYOD getest indien relevant
- Selective wipe getest
- Offboarding getest
- Servicedesk getest
- Troubleshootingprocedures gemaakt
- Metrics verzameld
- Gebruikersfeedback verzameld
- Issues geregistreerd
- Blockers opgelost
- Exitcriteria gehaald
- Go/no-go uitgevoerd
- Productierollout gepland
De grootste fouten bij een Intune pilot
Alleen IT laten testen
IT vertegenwoordigt niet de gemiddelde eindgebruiker.
Alleen happy path testen
Test ook:
- failure;
- non-compliance;
- slechte verbinding;
- verloren device;
- uninstall;
- offboarding.
Geen metrics verzamelen
Zonder data wordt de go-livebeslissing subjectief.
Pilot te groot maken
Een pilot moet problemen beperken, niet direct productie worden.
Pilot te klein maken
Eén beheerder en één laptop geven nauwelijks representatieve informatie.
Geen businessapplicaties testen
Een technisch perfecte laptop is nutteloos wanneer de ERP-app niet werkt.
Alleen portalstatus controleren
Verifieer de werkelijke toestand op het endpoint.
Geen user feedback verzamelen
Technische success status zegt niets over gebruikerservaring.
Geen exitcriteria gebruiken
Dan eindigt de pilot omdat het projectplan dat zegt.
Pilotobjects niet opruimen
Zo begint production governance direct slecht.
Een voorbeeld van een pilotmodel
Een organisatie met 500 medewerkers zou bijvoorbeeld kunnen werken met:
| Fase | Gebruikers | Doel |
|---|---|---|
| Ring 0 | 3 | Endpoint engineering |
| Ring 1 | 10 | IT-validation |
| Ring 2 | 25 | Businesspilot |
| Ring 3 | 75 | Early production |
| Ring 4 | 387 | Broad rollout |
De aantallen zijn slechts voorbeelden.
Het concept is belangrijker:
klein → meten → verbeteren → uitbreiden.
Wanneer is de Intune pilot geslaagd?
Een pilot is geslaagd wanneer drie zaken aantoonbaar werken.
1. Techniek
Devices worden betrouwbaar:
- enrolled;
- configured;
- secured;
- updated.
2. Gebruikers
Medewerkers kunnen zonder onacceptabele problemen productief werken.
3. Operations
IT kan:
- monitoren;
- troubleshooten;
- herstellen;
- ondersteunen.
Wanneer één van deze drie ontbreekt, is de implementatie nog niet volledig production ready.
Veelgestelde vragen
Moet iedere Intune-implementatie een pilot hebben?
Voor een productieomgeving is een gecontroleerde testfase sterk aan te raden. Hoe groot en formeel die pilot is, hangt af van de omvang en complexiteit van de organisatie.
Hoeveel gebruikers moet een Intune pilot bevatten?
Er bestaat geen vast aantal. Kies voldoende gebruikers om verschillende rollen, hardware, applicaties en werkpatronen te vertegenwoordigen.
Moet de directie deelnemen aan de pilot?
Dat kan nuttig zijn, maar start niet per se met kritieke executives in de eerste technische testfase. Neem managementgebruikers op zodra de omgeving stabiel genoeg is voor businessvalidation.
Welke apps moeten tijdens de pilot worden getest?
Minimaal alle bedrijfskritieke apps en een representatieve selectie van overige applicaties.
Moet Conditional Access tijdens de pilot worden getest?
Ja, maar gecontroleerd. Gebruik waar mogelijk report-only en gefaseerde targeting voordat harde toegangsblokkades breed worden geactiveerd.
Wat gebeurt er als de pilot mislukt?
Dat is precies waarom een pilot bestaat. Analyseer de oorzaken, pas ontwerp of configuratie aan en test opnieuw voordat productie wordt uitgebreid.
Wanneer mag de productie-uitrol beginnen?
Wanneer vooraf vastgelegde acceptatiecriteria zijn gehaald, geen onaanvaardbare blockers openstaan en support- en herstelprocessen operationeel zijn.
Conclusie
Een Microsoft Intune pilot is veel meer dan een test met een paar laptops.
Het is de fase waarin u bewijst dat de volledige moderne werkplek werkt.
Test daarom:
Enrollment
↓
Autopilot
↓
Configuration
↓
Applications
↓
Security
↓
Compliance
↓
Conditional Access
↓
Updates
↓
User Experience
↓
Support
↓
Offboarding
Gebruik echte gebruikers, echte applicaties en echte werkprocessen.
Test niet alleen wat er gebeurt wanneer alles goed gaat.
Test juist ook:
wat gebeurt er wanneer iets fout gaat?
Een goede pilot verlaagt niet alleen technisch risico.
Hij zorgt ervoor dat de organisatie vóór productie leert hoe de nieuwe Intune-omgeving daadwerkelijk moet worden beheerd.
De kernregel is:
Pilot first. Production second. Scale last.
Loopt u vast met uw Intune pilot?
Wilt u een Microsoft Intune pilot opzetten, maar weet u niet welke gebruikers, policies, applicaties of testscenario’s u moet opnemen?
Of geeft uw huidige pilot problemen met Autopilot, appdeployment, compliance, Conditional Access of device enrollment?
Stel uw Intune-vraag. Uw eerste vraag is gratis.
Beschrijf kort uw omgeving, wat u momenteel test en tegen welk probleem u aanloopt. Wij bekijken uw vraag en geven een eerste praktisch advies over mogelijke oorzaken, risico’s of vervolgstappen.
Eerste inhoudelijke beoordeling gratis. Geen verplichting tot vervolgopdracht.