Microsoft Intune werkt door apparaten, gebruikers, applicaties en beveiligingsinstellingen centraal vanuit de cloud te beheren. Apparaten worden eerst geregistreerd of enrolled, daarna ontvangen ze op basis van groepen en assignments de juiste configuraties, applicaties, security policies en compliance-eisen.
Vereenvoudigd ziet het proces er zo uit:
Gebruiker of apparaat aanmelden
↓
Microsoft Entra ID bepaalt identiteit
↓
Apparaat wordt enrolled in Intune
↓
Intune bepaalt welke policies en apps van toepassing zijn
↓
Apparaat ontvangt en verwerkt de configuratie
↓
Intune verzamelt statusinformatie
↓
Compliance en toegang worden beoordeeld
Het belangrijke principe is dat Intune niet ieder apparaat handmatig beheert. Je definieert centraal regels en configuraties, waarna Intune deze toepast op de juiste apparaten en gebruikers.
Hoe werkt Microsoft Intune in de praktijk?
Stel dat een organisatie 200 Windows 11-laptops gebruikt.
Alle medewerkers moeten bijvoorbeeld:
- BitLocker gebruiken;
- Microsoft Defender actief hebben;
- Microsoft 365 Apps geïnstalleerd krijgen;
- een standaard Edge-configuratie ontvangen;
- Windows Updates automatisch installeren;
- aan bepaalde compliance-eisen voldoen.
In plaats van 200 laptops afzonderlijk te configureren, maakt IT deze configuraties centraal in Intune.
Daarna bepaalt de beheerder op welke gebruikers of apparaten ze van toepassing zijn.
Het proces wordt dan ongeveer:
Policy maken
↓
Assignment configureren
↓
Apparaat synchroniseert
↓
Policy wordt geëvalueerd
↓
Instelling wordt toegepast
↓
Resultaat wordt teruggerapporteerd
Dit is de kern van hoe Intune werkt.
Wat heb je nodig voordat Intune kan werken?
Microsoft Intune werkt niet volledig zelfstandig.
Het maakt deel uit van een bredere Microsoft-cloudarchitectuur.
Belangrijke componenten kunnen zijn:
- Microsoft Entra ID;
- Microsoft Intune;
- Windows Autopilot;
- Microsoft Defender;
- Conditional Access;
- Microsoft 365;
- Apple Business Manager;
- Android Enterprise.
Niet iedere organisatie gebruikt al deze componenten.
Voor een eenvoudige Windows-omgeving zijn Entra ID en Intune vaak de belangrijkste basis.
Wat doet Microsoft Entra ID?
Microsoft Entra ID beheert vooral identiteit.
Het helpt bepalen:
- wie de gebruiker is;
- bij welke organisatie de gebruiker hoort;
- bij welke groepen de gebruiker hoort;
- welke apparaten gekoppeld zijn;
- welke authenticatie wordt gebruikt;
- welke toegang is toegestaan.
Intune gebruikt deze identity-informatie vervolgens om managementconfiguraties aan gebruikers en apparaten te koppelen.
Een eenvoudige verdeling is:
Microsoft Entra ID = identiteit en toegang
Microsoft Intune = endpoint- en applicatiebeheer
De twee werken nauw samen.
Hoe komt een apparaat in Intune?
Voordat Intune een apparaat volledig kan beheren, moet het apparaat op een ondersteunde manier worden enrolled.
Dit wordt device enrollment genoemd.
Enrollment kan verschillen per platform.
Voor Windows kan bijvoorbeeld gewerkt worden met:
- Microsoft Entra Join;
- Windows Autopilot;
- handmatige enrollment;
- bepaalde hybride scenario’s.
Voor Apple- en Android-apparaten bestaan andere enrollmentmethoden.
Wat gebeurt er tijdens enrollment?
Tijdens enrollment ontstaat een beheerrelatie tussen het apparaat en Microsoft Intune.
Daarbij wordt relevante informatie geregistreerd.
Daarna kan Intune bijvoorbeeld:
- policies sturen;
- applicaties installeren;
- securityconfiguraties toepassen;
- compliance controleren;
- remote actions uitvoeren.
Zonder de juiste enrollment kan een apparaat bepaalde Intune-functionaliteit niet ontvangen.
Wat is het verschil tussen Entra Join en Intune Enrollment?
Deze begrippen worden vaak door elkaar gehaald.
Dat zijn echter twee verschillende processen.
Microsoft Entra Join gaat vooral over de identity-relatie van een Windows-apparaat met de organisatie.
Intune Enrollment gaat over de managementrelatie.
Een apparaat kan dus bijvoorbeeld bekend zijn in Microsoft Entra ID zonder dat het volledig door Intune wordt beheerd.
Voor troubleshooting is dit onderscheid belangrijk.
Hoe weet Intune welke policy een apparaat moet krijgen?
Intune gebruikt assignments.
Een policy wordt toegewezen aan bijvoorbeeld:
- gebruikersgroepen;
- apparaatgroepen;
- alle gebruikers;
- alle apparaten.
Daarnaast kunnen in bepaalde scenario’s filters worden gebruikt om assignments verder te verfijnen.
Een belangrijk ontwerpprincipe is:
Niet iedere policy moet naar iedereen.
Een slechte assignmentstructuur veroorzaakt veel Intune-problemen.
Voorbeeld van een assignment
Stel dat een organisatie drie typen Windows-apparaten heeft:
- standaard laptops;
- IT-testlaptops;
- kioskapparaten.
Een nieuwe securitypolicy moet eerst worden getest.
De beheerder kan deze eerst toewijzen aan:
Intune-Pilot-Windows
Als de configuratie goed werkt, kan de policy later naar de productiegroep worden uitgebreid.
Dit voorkomt dat een fout direct alle apparaten raakt.
Wat zijn Configuration Profiles?
Configuration Profiles bevatten instellingen die naar apparaten worden gestuurd.
Voor Windows kan dat bijvoorbeeld gaan om:
- Microsoft Edge;
- OneDrive;
- Windows security;
- device restrictions;
- Wi-Fi;
- VPN;
- browserinstellingen;
- accountinstellingen.
De beheerder bepaalt centraal welke configuratie gewenst is.
Intune levert deze vervolgens aan de apparaten die binnen de assignment vallen.
Wat is de Settings Catalog?
De Settings Catalog is een manier om veel ondersteunde configuratie-instellingen binnen Intune te beheren.
Een beheerder kan daarin gericht instellingen selecteren.
Bijvoorbeeld:
Microsoft Edge
↓
Browserinstelling kiezen
↓
Waarde configureren
↓
Policy opslaan
↓
Groep toewijzen
Daarna verwerkt Intune de policy voor de relevante apparaten.
Hoe ontvangt een apparaat nieuwe Intune-instellingen?
Beheerde apparaten communiceren periodiek met de Intune-service.
Daarbij wordt gecontroleerd of nieuwe configuraties beschikbaar zijn.
Dit wordt vaak een check-in of sync genoemd.
Tijdens zo’n proces kan het apparaat:
- nieuwe policies ontvangen;
- nieuwe apps ontdekken;
- compliance opnieuw evalueren;
- statusinformatie terugsturen.
Daarom verschijnt een wijziging niet altijd onmiddellijk nadat een beheerder op Save heeft geklikt.
Waarom duurt een Intune-policy soms even?
Intune is een cloudmanagementplatform.
Een wijziging doorloopt meerdere stappen.
Bijvoorbeeld:
Administrator maakt policy
↓
Intune verwerkt assignment
↓
Apparaat checkt in
↓
Operating system ontvangt configuratie
↓
Instelling wordt verwerkt
↓
Status wordt teruggestuurd
Daardoor kan vertraging ontstaan.
Niet iedere policy wordt realtime toegepast.
Kun je een Intune Sync handmatig starten?
Ja.
Voor veel apparaten kan een handmatige Sync worden gestart.
Dat kan nuttig zijn tijdens testing of troubleshooting.
Maar een sync lost niet ieder probleem op.
Wanneer een policy bijvoorbeeld:
- verkeerd is toegewezen;
- niet van toepassing is;
- conflicteert;
- technisch niet ondersteund wordt;
zal vaker synchroniseren het onderliggende probleem niet oplossen.
Hoe werkt applicatiedistributie met Intune?
Applicaties kunnen in Intune worden toegevoegd en vervolgens worden toegewezen.
Bij Windows kan bijvoorbeeld een Win32-app worden gebruikt.
Het proces kan vereenvoudigd worden weergegeven als:
App toevoegen
↓
Installatiecommando definiëren
↓
Detectieregel configureren
↓
Requirements instellen
↓
Assignment bepalen
↓
Apparaat ontvangt deployment
↓
Installatie uitvoeren
↓
Resultaat rapporteren
Vooral de detectieregel is belangrijk.
Intune moet kunnen bepalen of de applicatie daadwerkelijk correct is geïnstalleerd.
Wat gebeurt er als een applicatie niet installeert?
Dan moet worden onderzocht waar het proces stopt.
Mogelijke oorzaken zijn bijvoorbeeld:
- verkeerde assignment;
- detection rule klopt niet;
- installatiecommando is fout;
- installer vereist interactie;
- dependency ontbreekt;
- requirement is niet voldaan;
- apparaat heeft niet gesynchroniseerd;
- applicatie retourneert een foutcode.
Daarom is applicatietroubleshooting in Intune meestal een combinatie van:
Intune-configuratie
Windows-clientgedrag
installatielogica van de applicatie
Hoe werkt compliance in Intune?
Compliance Policies bepalen of apparaten aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Een organisatie kan bijvoorbeeld eisen:
- minimale OS-versie;
- encryptie;
- password requirements;
- securitystatus;
- device integrity.
Intune beoordeelt de beschikbare gegevens.
Daarna kan een apparaat bijvoorbeeld de status krijgen:
Compliant
of:
Non-compliant
Is non-compliant automatisch hetzelfde als geblokkeerd?
Nee.
Compliance en toegang zijn twee verschillende onderdelen.
Intune bepaalt bijvoorbeeld dat een apparaat non-compliant is.
Microsoft Entra Conditional Access kan vervolgens bepalen wat dat betekent voor toegang.
De keten kan zijn:
Intune
↓
Device = non-compliant
↓
Microsoft Entra Conditional Access
↓
Toegang blokkeren
Zonder de juiste Conditional Access-configuratie betekent een non-compliant status dus niet automatisch dat iedere toegang wordt geblokkeerd.
Hoe werkt Conditional Access met Intune?
Conditional Access kan Intune-compliancestatus gebruiken als één van de signalen bij een toegangsbeslissing.
Bijvoorbeeld:
Een medewerker probeert Microsoft 365 te openen.
Microsoft Entra controleert:
- identiteit;
- authenticatie;
- apparaat;
- compliance;
- overige voorwaarden.
Daarna wordt bepaald of toegang wordt toegestaan.
Hierdoor kunnen organisaties bijvoorbeeld zeggen:
Alleen compliant devices mogen toegang krijgen tot bepaalde bedrijfsdata.
Wat gebeurt er wanneer een apparaat non-compliant wordt?
Dat hangt af van de policies en acties die zijn ingesteld.
Mogelijke gevolgen kunnen zijn:
- waarschuwing;
- gebruiker krijgt tijd om probleem te herstellen;
- apparaat blijft non-compliant;
- Conditional Access beperkt toegang.
Een goede compliancearchitectuur moet daarom rekening houden met gebruikersimpact.
Direct alle non-compliant apparaten blokkeren zonder testfase kan veel verstoring veroorzaken.
Hoe werkt Windows Autopilot met Intune?
Windows Autopilot helpt Windows-apparaten tijdens de eerste ingebruikname automatisch in de juiste organisatiecontext te brengen.
Een mogelijke flow is:
Nieuwe laptop
↓
Laptop start Windows OOBE
↓
Autopilot herkent het apparaat
↓
Organisatieprofiel wordt geladen
↓
Gebruiker meldt zich aan
↓
Microsoft Entra Join
↓
Intune Enrollment
↓
Policies en apps
↓
Werkplek gereed
Autopilot doet dus niet alles zelf.
Autopilot ondersteunt vooral provisioning.
Intune beheert vervolgens de policies, apps en securityconfiguraties.
Wat is de Enrollment Status Page?
De Enrollment Status Page, vaak ESP genoemd, wordt gebruikt tijdens Windows Autopilot-deployment.
De ESP kan bijvoorbeeld wachten op:
- device policies;
- security policies;
- applicaties.
Hiermee kun je voorkomen dat een gebruiker te vroeg op het bureaublad terechtkomt terwijl essentiële configuraties nog ontbreken.
Maar te veel blocking apps kunnen ook voor problemen zorgen.
Waarom blijft Autopilot soms hangen?
Autopilot bestaat uit meerdere afhankelijkheden.
Een probleem kan zitten in:
- device registration;
- deployment profile;
- group assignment;
- Entra Join;
- enrollment;
- ESP;
- applicatie-installatie;
- policy processing;
- netwerk;
- licensing;
- device configuration.
Daarom is het belangrijk niet alleen naar het scherm te kijken waarop de deployment stopt.
Je moet bepalen welke stap daarvoor verantwoordelijk is.
Hoe werkt BitLocker via Intune?
Intune kan BitLocker-gerelateerde configuraties naar ondersteunde Windows-apparaten sturen.
De Windows-client verwerkt vervolgens de instellingen.
Daarbij kunnen zaken relevant zijn zoals:
- encryption method;
- silent enablement;
- recovery key;
- device readiness.
Intune kan vervolgens statusinformatie tonen.
Een BitLocker-policy betekent echter niet automatisch dat ieder apparaat succesvol encrypted is.
Statuscontrole blijft noodzakelijk.
Hoe werkt Microsoft Defender via Intune?
Intune kan endpoint security policies distribueren voor verschillende ondersteunde Microsoft-securitycomponenten.
Denk aan:
- Microsoft Defender Antivirus;
- Windows Firewall;
- Attack Surface Reduction;
- Disk Encryption;
- Endpoint Detection and Response;
- Account Protection.
Het uiteindelijke gedrag wordt door het endpoint en de relevante securitycomponent uitgevoerd.
Intune fungeert vooral als centraal management- en policyplatform.
Hoe werkt Windows Update via Intune?
Intune kan beleid configureren voor Windows Update for Business.
Organisaties kunnen bijvoorbeeld update rings gebruiken.
Een eenvoudige rollout:
Ring 1: IT
↓
Ring 2: Pilot
↓
Ring 3: Productie
Hierdoor kan een update eerst op een kleine populatie worden getest.
Intune stuurt dus vooral de updatepolicy.
Windows Update voert het updateproces op het apparaat uit.
Hoe werkt BYOD met Intune?
Bij persoonlijke apparaten zijn er grofweg twee relevante benaderingen:
Device management
of:
Application management
Bij volledige device enrollment krijgt de organisatie meer managementmogelijkheden over het apparaat.
Bij App Protection Policies kan de focus juist liggen op zakelijke data binnen ondersteunde applicaties.
Dit is vooral relevant wanneer medewerkers privételefoons gebruiken.
Hoe werkt App Protection?
Een App Protection Policy kan regels toepassen binnen ondersteunde zakelijke apps.
Bijvoorbeeld:
Outlook bedrijfsdata
↓
mag naar
OneDrive for Business
maar niet automatisch naar:
persoonlijke app
Afhankelijk van de instellingen kunnen ook eisen gelden voor:
- PIN;
- copy/paste;
- openen in andere apps;
- data transfer;
- selective wipe.
Hiermee wordt bedrijfsdata beschermd zonder altijd het volledige device te beheren.
Hoe werken groepen in Intune?
Groepen zijn essentieel voor assignments.
Ze kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt voor:
- medewerkers;
- apparaten;
- pilots;
- afdelingen;
- platformen;
- speciale configuraties.
Een slecht groepsontwerp kan grote problemen veroorzaken.
Als één gebruiker via meerdere groepen conflicterende policies ontvangt, wordt troubleshooting moeilijker.
Hoe werken Intune filters?
Assignment Filters kunnen in geschikte scenario’s worden gebruikt om een assignment verder te verfijnen.
Je kunt bijvoorbeeld een brede groep gebruiken, maar bepaalde apparaten op basis van eigenschappen anders behandelen.
Filters kunnen een omgeving flexibeler maken.
Maar ook hier geldt:
complexiteit moet beheersbaar blijven.
Een omgeving met tientallen overlappende filters kan moeilijker te begrijpen worden dan een eenvoudiger groepsmodel.
Wat gebeurt er bij conflicterende policies?
Een apparaat kan dezelfde of gerelateerde instelling via meerdere managementprofielen ontvangen.
Wanneer de waarden niet overeenkomen, kan een conflict ontstaan.
Bijvoorbeeld:
Policy A
Firewall setting = Enabled
en:
Policy B
Firewall setting = Disabled
Afhankelijk van de specifieke instelling en policytechnologie kan dit leiden tot conflictstatus of onverwacht gedrag.
Daarom is goed policy-design belangrijk.
Hoe voorkom je Intune policy conflicts?
Gebruik een duidelijke architectuur.
Bijvoorbeeld:
- één eigenaar per policygebied;
- duidelijke naming conventions;
- beperkte overlap;
- pilotgroepen;
- documentatie;
- periodieke cleanup.
Een goede vuistregel is:
Dezelfde instelling zo weinig mogelijk op meerdere plaatsen beheren.
Hoe weet Intune of een policy succesvol is toegepast?
Intune ontvangt statusinformatie van apparaten en onderliggende managementcomponenten.
In het admin center kun je afhankelijk van het beleid bijvoorbeeld statussen zien zoals:
- succeeded;
- error;
- conflict;
- pending;
- not applicable.
Die statussen zijn nuttig, maar vertellen niet altijd onmiddellijk de volledige oorzaak.
Voor echte troubleshooting moet soms verder worden gekeken naar clientlogs of specifieke devicegegevens.
Waarom zegt Intune “Pending”?
Pending betekent meestal dat Intune nog geen definitieve succesvolle of mislukte status heeft ontvangen.
Dat kan verschillende oorzaken hebben.
Bijvoorbeeld:
- apparaat heeft nog niet ingecheckt;
- proces is nog bezig;
- gebruiker is niet ingelogd;
- applicatie wacht;
- statusrapportage loopt achter.
Pending is daarom een status, geen root cause.
Waarom staat een policy op “Not applicable”?
Dit betekent meestal dat de policy of instelling niet van toepassing is op het betreffende apparaat of de gebruiker.
Mogelijke redenen:
- verkeerd platform;
- verkeerde Windows-versie;
- instelling wordt niet ondersteund;
- requirement is niet voldaan;
- assignmentcontext klopt niet.
Dit is iets anders dan een error.
Hoe troubleshoot je Intune?
Een goede Intune-troubleshootingaanpak begint niet met willekeurig policies wijzigen.
Gebruik een vaste volgorde:
- Wat is het exacte probleem?
- Welke gebruiker en welk apparaat zijn betrokken?
- Is het apparaat correct enrolled?
- Is de juiste licentie aanwezig?
- Valt gebruiker of apparaat binnen de assignment?
- Is de configuratie van toepassing op het platform?
- Welke status rapporteert Intune?
- Zijn er conflicten?
- Wat zeggen de device logs?
- Is het probleem reproduceerbaar?
Deze aanpak voorkomt dat troubleshooting zelf nieuwe problemen veroorzaakt.
Waarom is Intune troubleshooting soms lastig?
Omdat meerdere lagen samenwerken.
Een probleem met één policy kan afhankelijk zijn van:
Identity
↓
Enrollment
↓
Groups
↓
Assignments
↓
Policy
↓
Device
↓
Operating System
↓
Network
↓
Status reporting
Daarom is de zichtbare fout niet altijd de werkelijke oorzaak.
Voorbeeld: “BitLocker werkt niet”
De eerste reactie kan zijn:
Er is iets mis met de BitLocker-policy.
Maar mogelijke oorzaken zijn ook:
- apparaat zit niet in de assignment;
- andere policy conflicteert;
- hardware ondersteunt bepaalde configuratie niet;
- gebruiker heeft onvoldoende context;
- encryption is al anders geconfigureerd;
- policy is nog niet verwerkt.
Goede troubleshooting begint daarom bij de volledige keten.
Kom je niet verder met een Intune-policy?
Wanneer een policy niet wordt toegepast, een applicatie blijft hangen of een apparaat onverwacht non-compliant wordt, is het meestal efficiënter om de volledige keten te onderzoeken dan telkens instellingen te wijzigen.
EndpointPilot kan helpen analyseren waar het proces stopt: bij enrollment, assignment, policy, applicatie, compliance of het Windows-apparaat zelf.
Stel je Intune-vraag aan EndpointPilot.
Hoe ziet een goed Intune-ontwerp eruit?
Een goede Intune-omgeving heeft een duidelijke structuur.
Bijvoorbeeld:
Identity
Microsoft Entra ID
↓
Enrollment
Autopilot / platform enrollment
↓
Targeting
Groups + Filters
↓
Configuration
Settings Catalog / Profiles
↓
Applications
Required + Available
↓
Security
Endpoint Security
↓
Compliance
Device Health
↓
Access
Conditional Access
↓
Operations
Monitoring + Troubleshooting
Deze onderdelen moeten als één systeem worden ontworpen.
Wat gebeurt er als je Intune zonder architectuur opbouwt?
In het begin lijkt alles vaak goed te gaan.
Een beheerder maakt enkele policies.
Daar komen nieuwe policies bij.
Daarna:
- pilotpolicy;
- nieuwe versie;
- uitzondering;
- tijdelijke workaround;
- nieuwe beheerder;
- extra securitypolicy;
- testprofiel.
Na enkele jaren kunnen tientallen overlappende configuraties bestaan.
Dan ontstaan problemen zoals:
- niemand weet welke policy dominant is;
- dezelfde instelling wordt meerdere keren beheerd;
- assignments zijn onduidelijk;
- uitzonderingen zijn niet gedocumenteerd;
- troubleshooting duurt uren.
Daarom is Intune-governance belangrijk vanaf het begin.
Intune werkt op basis van gewenste configuratie
Een nuttig concept is desired state.
De beheerder definieert hoe een apparaat idealiter moet zijn geconfigureerd.
Bijvoorbeeld:
BitLocker = enabled
Firewall = enabled
Company Portal = installed
Windows Update policy = assigned
Device = compliant
Het endpointmanagementproces probeert apparaten vervolgens naar deze gewenste configuratie te brengen en daar te houden.
Wat gebeurt er als een gebruiker een instelling verandert?
Dat hangt af van de instelling en gebruikte policy.
Wanneer Intune een instelling afdwingt, kan een gebruikerswijziging later opnieuw worden overschreven door het beheerde beleid.
Dat is het verschil tussen:
handmatige configuratie
en:
policy-based management
De organisatie definieert wat de standaard moet zijn.
Hoe vaak moet je Intune beheren?
Intune is geen “eenmalig installeren en klaar”-product.
Een omgeving verandert voortdurend.
Bijvoorbeeld:
- Windows-versies veranderen;
- Microsoft voegt instellingen toe;
- oude functionaliteiten verdwijnen;
- securityrequirements veranderen;
- bedrijfsapplicaties veranderen;
- medewerkers komen en gaan;
- apparaten worden vervangen.
Daarom is continu lifecycle management nodig.
Wat moet je periodiek controleren?
Een periodieke Intune-review kan bijvoorbeeld kijken naar:
- stale devices;
- ongebruikte policies;
- policy conflicts;
- oude assignments;
- securitybaselines;
- compliance;
- administratorrollen;
- applicaties;
- Windows Update;
- Autopilot;
- naming conventions;
- documentatie.
Een omgeving die vandaag goed is ontworpen, blijft niet automatisch jarenlang optimaal.
Is Intune volledig automatisch?
Nee.
Intune automatiseert veel operationele taken, maar beheerkeuzes blijven noodzakelijk.
Intune weet niet automatisch:
- welke apparaten je wilt beheren;
- wat compliant moet betekenen;
- welke applicaties kritisch zijn;
- welke securityinstellingen acceptabel zijn;
- welke uitzonderingen nodig zijn;
- welke gebruikers pilotusers zijn.
Dat zijn architectuur- en governancebeslissingen.
Voorbeeld van de volledige Intune-lifecycle
Een nieuwe Windows-laptop kan bijvoorbeeld deze volledige cyclus doorlopen:
1. Aanschaf
↓
2. Autopilot Registration
↓
3. Gebruiker start apparaat
↓
4. Microsoft Entra Join
↓
5. Intune Enrollment
↓
6. Security Policies
↓
7. Configuration Profiles
↓
8. Applicaties
↓
9. Compliance
↓
10. Conditional Access
↓
11. Windows Updates
↓
12. Monitoring
↓
13. Troubleshooting
↓
14. Gebruiker uit dienst
↓
15. Wipe / Retire
↓
16. Hergebruik of afvoer
Dit laat zien dat Intune veel meer is dan alleen het installeren van apps.
Hoe weet je of Intune goed werkt?
Niet door alleen te controleren of apparaten zichtbaar zijn in het admin center.
Een gezonde omgeving moet bijvoorbeeld aantonen dat:
- apparaten correct enrolled zijn;
- essentiële policies succesvol worden toegepast;
- apps betrouwbaar worden geïnstalleerd;
- apparaten compliant zijn;
- updates functioneren;
- securitycontrols actief zijn;
- stale devices worden opgeschoond;
- uitzonderingen beheerd zijn;
- administrators passende rechten hebben.
Het gaat dus om de kwaliteit van de volledige keten.
Samenvatting
Microsoft Intune werkt als een cloudgebaseerd managementplatform waarbij beheerders centraal bepalen welke configuraties, applicaties en securityregels voor gebruikers en apparaten gelden.
De kern is:
Enrollment
↓
Groups en Assignments
↓
Policies en Apps
↓
Device Processing
↓
Status Reporting
↓
Compliance
↓
Conditional Access
Intune werkt nauw samen met Microsoft Entra ID en andere Microsoft-cloudservices.
Het platform automatiseert veel endpointmanagement, maar een betrouwbare omgeving vereist nog steeds een goed ontwerp voor:
- identity;
- enrollment;
- assignments;
- configuration;
- applications;
- security;
- compliance;
- access;
- lifecycle management.
De meeste Intune-problemen ontstaan wanneer ergens in deze keten iets verkeerd is geconfigureerd of niet correct wordt verwerkt.
Heb je een vraag over hoe Intune in jouw omgeving werkt?
Wordt een policy niet toegepast, blijft een applicatie pending, is een apparaat onverwacht non-compliant of is niet duidelijk waarom een bepaalde configuratie wel of niet wordt ontvangen?
Stel je Microsoft Intune-vraag aan EndpointPilot.
Beschrijf het apparaat, de policy en wat je verwacht dat er gebeurt. Daarmee kan veel gerichter naar de oorzaak worden gekeken.
Intune-probleem dat je niet kunt verklaren?
Intune-troubleshooting gaat vaak verder dan alleen naar één policy kijken. Enrollment, groepen, assignments, applicaties, compliance en Windows-clientgedrag kunnen allemaal invloed hebben.
EndpointPilot helpt de volledige Intune-keten te analyseren en de technische oorzaak van het probleem te vinden.
Laat EndpointPilot je Microsoft Intune-probleem onderzoeken.