Wat zijn de belangrijkste functies van Microsoft Intune?

De belangrijkste functies van Microsoft Intune zijn device management, applicatiebeheer, securitybeheer, compliance, Windows Autopilot, Windows Update Management, BYOD-beveiliging en integratie met Microsoft Entra ID en Conditional Access.

Met Intune kunnen organisaties apparaten centraal configureren en beveiligen zonder dat deze permanent verbonden hoeven te zijn met het bedrijfsnetwerk.

De belangrijkste Intune-functionaliteiten zijn:

  1. Device Management
  2. Device Enrollment
  3. Configuration Profiles
  4. Applicatiebeheer
  5. App Protection Policies
  6. Endpoint Security
  7. Compliance Policies
  8. Conditional Access-integratie
  9. Windows Autopilot
  10. Windows Update Management
  11. Wi-Fi, VPN en certificaten
  12. PowerShell en Remediations
  13. Remote Device Actions
  14. Rapportage en monitoring
  15. Rollen, groepen en governance

Deze functies vormen samen de basis van modern endpointmanagement met Microsoft Intune.

1. Device Management

Device Management is een van de belangrijkste functies van Microsoft Intune.

Hiermee kunnen organisaties apparaten centraal beheren, zoals:

  • Windows-laptops;
  • Windows-desktops;
  • MacBooks;
  • iPhones;
  • iPads;
  • Android-smartphones;
  • Android-tablets;
  • bepaalde Linux-endpoints.

Het doel is dat IT niet ieder apparaat afzonderlijk hoeft te configureren.

In plaats daarvan wordt een centrale gewenste configuratie vastgesteld.

Bijvoorbeeld:

Zakelijke Windows-laptop

Microsoft Entra Join

Intune Enrollment

Security Policies

Configuration Profiles

Applications

Compliance

Hierdoor kunnen grote aantallen apparaten op een consistente manier worden beheerd.

2. Device Enrollment

Voordat Intune een apparaat kan beheren, moet er meestal een managementrelatie worden opgezet.

Dit gebeurt via device enrollment.

De enrollmentmethode hangt af van:

  • besturingssysteem;
  • ownership;
  • gebruiksscenario;
  • organisatiebeleid.

Voor Windows kan bijvoorbeeld Windows Autopilot worden gebruikt.

Voor Apple-apparaten kan Apple Business Manager onderdeel zijn van het enrollmentproces.

Android Enterprise ondersteunt verschillende enrollmentmodellen.

Een goed enrollmentontwerp is belangrijk omdat veel latere Intune-functionaliteit daarvan afhankelijk is.

Waarom is enrollment zo belangrijk?

Een slecht ontworpen enrollmentproces kan later problemen veroorzaken met:

  • device ownership;
  • assignments;
  • applicaties;
  • compliance;
  • Conditional Access;
  • reporting;
  • offboarding.

Daarom moet enrollment niet worden gezien als alleen een technische stap.

Het is onderdeel van de volledige endpointarchitectuur.

3. Configuration Profiles

Configuration Profiles worden gebruikt om instellingen naar beheerde apparaten te distribueren.

Voor Windows kan het bijvoorbeeld gaan om:

  • Microsoft Edge;
  • OneDrive;
  • securityinstellingen;
  • device restrictions;
  • browserconfiguratie;
  • netwerk;
  • accounts;
  • privacy;
  • Wi-Fi;
  • VPN.

IT definieert centraal welke configuratie gewenst is.

Daarna ontvangen de juiste apparaten deze instellingen via Intune.

Settings Catalog

Voor veel configuraties kan de Settings Catalog worden gebruikt.

Hiermee kun je specifieke instellingen selecteren en samenbrengen in policies.

Bijvoorbeeld:

Windows Security Settings

of:

Microsoft Edge Configuration

of:

OneDrive Configuration

Een goede praktijk is om profiles logisch per functie te organiseren.

Niet:

één enorme policy met honderden settings

maar liever:

kleinere, begrijpelijke policies met een duidelijk doel.

Dat maakt beheer en troubleshooting eenvoudiger.

4. Applicatiebeheer

Applicatiebeheer is een andere belangrijke functie van Microsoft Intune.

Organisaties kunnen applicaties centraal distribueren.

Voor Windows kan het bijvoorbeeld gaan om:

  • Microsoft 365 Apps;
  • Microsoft Edge;
  • Teams;
  • VPN-clients;
  • PDF-software;
  • Win32-applicaties;
  • maatwerksoftware;
  • bedrijfsapplicaties.

Applicaties kunnen op verschillende manieren beschikbaar worden gemaakt.

Required applications

Een Required app wordt automatisch geïnstalleerd voor de toegewezen gebruikers of apparaten.

Dit kan geschikt zijn voor software die iedereen nodig heeft.

Bijvoorbeeld:

  • antiviruscomponenten;
  • VPN-client;
  • Microsoft 365;
  • verplichte bedrijfssoftware.

Available applications

Andere apps hoeven niet op ieder apparaat te staan.

Deze kunnen beschikbaar worden gesteld via Company Portal.

Een gebruiker kan de applicatie dan zelf installeren.

Bijvoorbeeld:

  • Visio;
  • Project;
  • gespecialiseerde tools.

Hiermee krijgt de gebruiker flexibiliteit zonder dat software buiten IT-controle wordt geïnstalleerd.

Applicatiebeheer is meer dan installeren

Een professionele applicatiedeployment bevat ook:

  • install logic;
  • detection rules;
  • requirements;
  • dependencies;
  • supersedence;
  • uninstall;
  • monitoring;
  • update lifecycle.

Vooral bij Win32-applicaties is goede packaging belangrijk.

5. App Protection Policies

Niet ieder apparaat hoeft volledig door de organisatie te worden beheerd.

Bij persoonlijke apparaten kan bescherming van de zakelijke data belangrijker zijn dan beheer van het volledige device.

Daarvoor kunnen App Protection Policies worden gebruikt.

Dit wordt vaak Mobile Application Management genoemd.

Wat kun je met App Protection Policies?

Afhankelijk van platform en applicatie kunnen regels worden toegepast zoals:

  • zakelijke data niet kopiëren naar persoonlijke apps;
  • app-PIN vereisen;
  • data alleen openen in goedgekeurde apps;
  • bepaalde opslaglocaties blokkeren;
  • zakelijke data selectief verwijderen.

Dit is vooral interessant bij BYOD.

Voorbeeld BYOD

Een medewerker gebruikt zijn persoonlijke smartphone.

Op het apparaat staan:

  • WhatsApp;
  • persoonlijke foto’s;
  • privé-e-mail;
  • Outlook;
  • Teams.

De organisatie wil niet noodzakelijk de hele telefoon beheren.

Maar de bedrijfsinformatie in Outlook en Teams moet wel beschermd worden.

App Protection Policies kunnen daar een oplossing voor bieden.

6. Endpoint Security

Endpoint Security is een van de commercieel en technisch belangrijkste onderdelen van Intune.

Hiermee kunnen organisaties securityconfiguraties centraal beheren.

Dat kan bijvoorbeeld betrekking hebben op:

  • Microsoft Defender Antivirus;
  • Windows Firewall;
  • BitLocker;
  • Attack Surface Reduction;
  • account protection;
  • Endpoint Detection and Response;
  • security baselines.

Intune wordt daarmee onderdeel van de endpoint security-architectuur.

Microsoft Defender Antivirus

Via Intune kunnen verschillende Defender Antivirus-instellingen worden beheerd.

Bijvoorbeeld configuraties rond:

  • realtime protection;
  • scan policies;
  • exclusions;
  • cloud protection.

Securitysettings moeten echter worden afgestemd op bedrijfsapplicaties en risico’s.

Windows Firewall

Ook Windows Firewall kan centraal worden beheerd.

Hiermee kan IT consistente firewallconfiguraties toepassen.

Maar wijzigingen moeten gecontroleerd worden getest.

Een te agressieve firewallregel kan namelijk legitieme bedrijfsapplicaties verstoren.

BitLocker

BitLocker helpt Windows-opslag te versleutelen.

Dit beschermt gegevens wanneer bijvoorbeeld een laptop wordt gestolen.

Intune kan onderdeel zijn van het centrale beheer van:

  • encryption policy;
  • recovery information;
  • monitoring;
  • compliance.

Encryptie is daarom een fundamentele endpointsecurityfunctie.

Attack Surface Reduction

Attack Surface Reduction-regels kunnen helpen bepaalde aanvalstechnieken te beperken.

Bijvoorbeeld door risicovol gedrag van applicaties te blokkeren.

ASR kan krachtige beveiliging bieden, maar moet zorgvuldig worden getest.

Een securityregel die technisch correct is maar een kritieke bedrijfsapplicatie blokkeert, veroorzaakt operationele problemen.

7. Security Baselines

Security Baselines helpen organisaties een gestandaardiseerde securitybasis op te bouwen.

Een baseline kan als startpunt worden gebruikt voor het configureren van endpoints.

Maar een baseline is geen knop die zonder analyse naar ieder apparaat moet worden uitgerold.

Een betere aanpak:

Microsoft baseline

Beoordelen

Vergelijken met bedrijfsrequirements

Pilot

Impact testen

Gefaseerd implementeren

Waarom moet je security baselines aanpassen?

Iedere organisatie heeft andere:

  • applicaties;
  • processen;
  • devices;
  • securityrisico’s;
  • compliance-eisen.

Daarom kan dezelfde securityconfiguratie in twee organisaties heel verschillend uitpakken.

8. Compliance Policies

Compliance Policies bepalen of apparaten voldoen aan bepaalde voorwaarden.

Bijvoorbeeld:

  • minimale OS-versie;
  • encryptie;
  • password requirements;
  • securitystatus;
  • device integrity.

Het resultaat kan bijvoorbeeld zijn:

Compliant

of:

Non-compliant

Dit is belangrijk omdat device compliance gekoppeld kan worden aan toegangsbeheer.

Compliance is geen configuratiepolicy

Dit onderscheid is belangrijk.

Een Configuration Profile probeert een instelling te configureren.

Een Compliance Policy controleert of een apparaat voldoet aan een eis.

Bijvoorbeeld:

Configuration Profile

schakelt BitLocker in.

Compliance Policy

controleert of encryptie aanwezig is.

Dat zijn twee verschillende functies.

9. Conditional Access-integratie

Microsoft Intune werkt nauw samen met Microsoft Entra Conditional Access.

Hiermee kan device compliance worden meegenomen in toegang tot bedrijfsresources.

Bijvoorbeeld:

Gebruiker logt in

MFA succesvol

Device compliant

Toegang toegestaan

Wanneer het device niet compliant is, kan Conditional Access toegang beperken.

Waarom is dit krachtig?

Omdat security dan niet alleen afhangt van een wachtwoord.

Ook de status van het endpoint wordt onderdeel van de beslissing.

Dat past binnen Zero Trust.

10. Windows Autopilot

Windows Autopilot helpt nieuwe Windows-apparaten geautomatiseerd te provisionen.

In plaats van iedere laptop handmatig door IT te laten installeren, kan een vooraf gedefinieerde deploymentflow worden gebruikt.

Bijvoorbeeld:

Nieuwe laptop

Windows OOBE

Autopilot-identificatie

Gebruiker meldt zich aan

Microsoft Entra Join

Intune Enrollment

Apps en policies

Gebruiksklaar apparaat

Autopilot kan onboarding aanzienlijk efficiënter maken.

Wat configureert Autopilot zelf?

Autopilot verzorgt vooral het provisioningproces.

Daarna komt een groot deel van de daadwerkelijke configuratie uit Intune.

Denk aan:

  • security;
  • apps;
  • compliance;
  • Windows settings.

Autopilot en Intune moeten daarom als één provisioningketen worden ontworpen.

Enrollment Status Page

De Enrollment Status Page kan ervoor zorgen dat belangrijke configuraties en applicaties worden verwerkt voordat de gebruiker volledig toegang krijgt tot de desktop.

Het is echter belangrijk niet te veel apps blocking te maken.

Anders kan provisioning onnodig langzaam of kwetsbaar worden.

11. Windows Update Management

Microsoft Intune kan worden gebruikt om Windows Update-beleid te beheren.

Organisaties kunnen bijvoorbeeld werken met:

  • update rings;
  • quality updates;
  • feature updates;
  • deadlines;
  • restartinstellingen.

Het doel is updates gecontroleerd uit te rollen.

Gebruik verschillende update rings

Een goede structuur kan bijvoorbeeld zijn:

Ring 0 — IT Test

Ring 1 — Pilot

Ring 2 — Early Production

Ring 3 — Broad Production

Hierdoor bereikt een problematische update niet direct iedereen.

12. Wi-Fi-beheer

Wi-Fi-profielen kunnen centraal naar apparaten worden gestuurd.

Dit kan gebruikers veel handmatige configuratie besparen.

Voor enterprise Wi-Fi kunnen certificaten en authenticatie onderdeel zijn van dezelfde oplossing.

13. VPN-beheer

Intune kan VPN-profielen distribueren op ondersteunde platforms.

Hiermee kunnen externe gebruikers gestandaardiseerde VPN-instellingen ontvangen.

Dit vermindert configuratiefouten.

14. Certificaatbeheer

Certificaten kunnen nodig zijn voor:

  • Wi-Fi;
  • VPN;
  • authentication;
  • applicaties.

Intune kan onderdeel zijn van de distributie van certificaten naar endpoints.

Dit vereist vaak een bredere PKI-architectuur.

15. PowerShell-scripts

PowerShell-scripts maken het mogelijk om Windows-configuraties uit te voeren die niet altijd eenvoudig via standaard policies beschikbaar zijn.

Scripts kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt voor:

  • custom configuration;
  • cleanup;
  • detectie;
  • installatie;
  • troubleshooting.

Scripts moeten altijd zorgvuldig worden getest.

Een fout script kan breed impact hebben.

16. Remediations

Remediations maken het mogelijk om bepaalde configuraties periodiek te controleren en waar nodig automatisch te corrigeren.

Een eenvoudige flow:

Detectie

Configuratie klopt?

Nee

Remediation

Opnieuw controleren

Hiermee kunnen terugkerende problemen automatisch worden opgelost.

Wanneer zijn Remediations nuttig?

Bijvoorbeeld wanneer:

  • een service soms wordt uitgeschakeld;
  • registry setting verdwijnt;
  • een configuratie regelmatig afwijkt;
  • legacy software cleanup nodig is.

Hiermee verschuift beheer van reactief naar proactief.

Heb je terugkerende Intune-problemen?

Wanneer dezelfde Intune-afwijkingen telkens terugkomen, is het vaak beter om de oorzaak structureel te onderzoeken dan iedere device afzonderlijk te herstellen.

EndpointPilot kan helpen bepalen of het probleem zit in policies, assignments, applicaties, enrollment, compliance of deviceconfiguratie.

Stel je Microsoft Intune-vraag aan EndpointPilot.

17. Remote Device Actions

Intune ondersteunt verschillende remote beheeracties.

Afhankelijk van platform en enrollmenttype kunnen dit bijvoorbeeld zijn:

  • Sync;
  • Restart;
  • Retire;
  • Wipe;
  • Remote Lock;
  • Collect Diagnostics.

Dit is waardevol wanneer medewerkers op afstand werken.

Wipe

Met Wipe kan een beheerd apparaat in geschikte scenario’s volledig worden gewist.

Dat kan relevant zijn bij:

  • verlies;
  • diefstal;
  • hergebruik;
  • offboarding.

Vanwege de impact moeten wipe-rechten streng worden beperkt.

Retire

Retire is bedoeld om het beheer en bedrijfsgerelateerde informatie van een apparaat te verwijderen zonder noodzakelijk het volledige persoonlijke apparaat te wissen.

Dit kan vooral relevant zijn bij BYOD.

Sync

Met Sync kan een apparaat worden gevraagd opnieuw contact te maken met Intune.

Dit wordt veel gebruikt tijdens troubleshooting.

Een Sync lost echter geen verkeerde policy of assignment op.

Collect Diagnostics

Voor ondersteunde Windows-scenario’s kan diagnostische informatie worden verzameld.

Dit kan helpen wanneer een probleem niet volledig zichtbaar is vanuit de Intune-console.

18. Rapportage

Een belangrijke Intune-functie is inzicht krijgen in wat daadwerkelijk op endpoints gebeurt.

Rapportages kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op:

  • device status;
  • compliance;
  • applications;
  • configuration policies;
  • security;
  • enrollment.

Dat is belangrijk omdat:

policy aangemaakt

niet hetzelfde is als:

policy succesvol geïmplementeerd.

19. Applicatiestatus controleren

Een applicatiedeployment kan bijvoorbeeld rapporteren:

  • Installed;
  • Failed;
  • Pending;
  • Not applicable.

Bij fouten kan vervolgens worden onderzocht waarom installatie mislukt.

20. Configuration status controleren

Ook policies kunnen statusinformatie tonen.

Bijvoorbeeld:

  • succeeded;
  • error;
  • conflict;
  • pending;
  • not applicable.

Dit is het startpunt voor veel troubleshooting.

21. Device Inventory

Intune bevat informatie over beheerde apparaten.

Bijvoorbeeld:

  • device name;
  • operating system;
  • ownership;
  • gebruiker;
  • compliance;
  • managementstatus.

Deze inventory is nuttig voor lifecycle management.

22. Stale devices herkennen

Na verloop van tijd kunnen oude device records ontstaan.

Bijvoorbeeld door:

  • vervangen laptops;
  • ex-medewerkers;
  • oude testdevices;
  • mislukte enrollment.

Deze records moeten periodiek worden beoordeeld en opgeschoond.

Anders neemt de kwaliteit van de beheerinformatie af.

23. Groepen en assignments

Bijna iedere Intune-configuratie moet aan de juiste doelgroep worden toegewezen.

Daarvoor worden Microsoft Entra-groepen en Intune-assignmentmogelijkheden gebruikt.

Bijvoorbeeld:

Windows Pilot Users

Windows Production Devices

Kiosk Devices

Corporate iPhones

BYOD Users

Een goed groepsmodel maakt beheer voorspelbaar.

24. Assignment Filters

Filters kunnen worden gebruikt om assignments verder te verfijnen.

Een brede groep kan bijvoorbeeld worden toegewezen, waarna bepaalde devices op basis van eigenschappen worden opgenomen of uitgesloten.

Dit kan krachtig zijn.

Maar te veel complexe filters maken troubleshooting moeilijker.

25. Role-Based Access Control

Niet iedere beheerder hoeft volledige Intune-adminrechten te hebben.

Role-Based Access Control helpt administratieve verantwoordelijkheden te scheiden.

Een servicedeskmedewerker heeft bijvoorbeeld andere rechten nodig dan een endpointarchitect.

Het principe is:

alleen de rechten geven die nodig zijn voor de functie.

26. Scope Tags

Scope Tags kunnen worden gebruikt om beheer binnen grotere organisaties verder te structureren.

Dit kan bijvoorbeeld relevant zijn wanneer verschillende IT-teams verschillende apparaten of regio’s beheren.

Hiermee wordt delegation beter beheersbaar.

27. Multi-platform management

Een belangrijke functie van Intune is dat meerdere platforms vanuit dezelfde managementomgeving kunnen worden beheerd.

Bijvoorbeeld:

Windows

macOS

iOS

iPadOS

Android

Linux in ondersteunde scenario’s

Maar centraal beheer betekent niet dat ieder platform identiek moet worden behandeld.

Eén policy voor ieder platform werkt niet

Windows heeft andere managementmogelijkheden dan iOS.

Android heeft andere enrollmentmodellen dan macOS.

Daarom moet de organisatie per platform bepalen:

  • enrollment;
  • security;
  • compliance;
  • applications;
  • lifecycle.

Een multi-platform strategie moet dus centraal worden bestuurd, maar platform-specifiek worden ontworpen.

28. BYOD-management

BYOD is een belangrijke Intune-functionaliteit.

Niet iedere werknemer gebruikt uitsluitend corporate-owned devices.

Bij een privéapparaat moet de organisatie balans zoeken tussen:

bedrijfssecurity

en:

privacy van de medewerker

App Protection Policies zijn daarvoor vaak belangrijk.

29. Selective Wipe

Bij geschikte App Protection- of managementscenario’s kan zakelijke data worden verwijderd zonder persoonlijke data volledig te wissen.

Dit is vooral nuttig bij offboarding.

Bijvoorbeeld:

Medewerker vertrekt

Microsoft 365-toegang verwijderd

Zakelijke applicatiedata gewist

Privédata blijft staan

Dit kan BYOD-beheer veel praktischer maken.

30. Cloud-native Windows Management

Intune wordt veel gebruikt voor organisaties die Windows-management naar de cloud willen brengen.

Een moderne architectuur kan bijvoorbeeld bestaan uit:

Microsoft Entra Join

Windows Autopilot

Microsoft Intune

Microsoft Defender

Conditional Access

Hiermee wordt minder afhankelijkheid van traditionele lokale endpointmanagementinfrastructuur mogelijk.

Kan Intune Group Policy vervangen?

Veel traditionele Group Policy-instellingen kunnen tegenwoordig met moderne managementtechnologieën worden ingericht.

Maar een migratie moet niet bestaan uit:

300 GPO-settings → 300 Intune-settings

Een migratie biedt juist de kans om de bestaande configuratie te beoordelen.

Vraag per instelling:

  • Is dit nog nodig?
  • Waarom bestaat deze setting?
  • Is er een modern alternatief?
  • Is dit nog veilig?
  • Kan het eenvoudiger?

Dat voorkomt dat technische schuld naar Intune wordt verhuisd.

31. Onboarding automatiseren

Intune kan een belangrijke rol spelen bij onboarding.

Een nieuwe werknemer kan bijvoorbeeld:

Laptop ontvangen

Autopilot starten

Inloggen

Policies ontvangen

Apps ontvangen

Security ontvangen

Werkplek gebruiken

Hierdoor hoeft IT minder handmatig werk uit te voeren.

32. Offboarding ondersteunen

Ook bij het einde van de lifecycle kan Intune helpen.

Bijvoorbeeld:

  • bedrijfsdata verwijderen;
  • apparaat retiren;
  • apparaat wissen;
  • opnieuw provisionen;
  • oude records verwijderen.

Een goede endpointarchitectuur behandelt onboarding en offboarding als één lifecycle.

33. Endpointstandaardisatie

Een van de grootste voordelen van Intune is standaardisatie.

Zonder centraal management kunnen honderd laptops honderd iets verschillende configuraties hebben.

Met Intune kan een organisatie streven naar:

één beheerde standaard

met alleen noodzakelijke uitzonderingen.

Dit maakt:

  • security;
  • support;
  • troubleshooting;
  • auditing

veel eenvoudiger.

Welke Intune-functies heb je echt nodig?

Niet iedere organisatie heeft iedere functie nodig.

Een organisatie met alleen Windows-laptops heeft bijvoorbeeld andere requirements dan een multinational met:

  • Windows;
  • macOS;
  • iOS;
  • Android;
  • BYOD;
  • shared devices.

Begin daarom met use-cases.

Bijvoorbeeld:

Use-case 1

Nieuwe laptops automatisch configureren.

→ Autopilot + Enrollment + Applications + Policies.

Use-case 2

Microsoft 365 alleen vanaf veilige devices.

→ Compliance + Conditional Access.

Use-case 3

Privételefoons veilig gebruiken.

→ App Protection Policies.

Use-case 4

Windows security standaardiseren.

→ Endpoint Security + BitLocker + Defender.

Welke functies moet je als eerste implementeren?

Voor veel Windows-organisaties kan een logische volgorde zijn:

1. Identity

2. Enrollment

3. Device Configuration

4. Endpoint Security

5. Applications

6. Windows Update

7. Compliance

8. Conditional Access

9. Reporting

10. Governance

De exacte volgorde moet worden aangepast aan de organisatie.

Wat is de grootste fout bij Intune?

Een veelgemaakte fout is Intune benaderen als een verzameling losse technische instellingen.

Bijvoorbeeld:

“BitLocker moeten we aanzetten.”

“Deze Edge-setting moeten we configureren.”

“Deze compliance-policy moeten we maken.”

Individueel kunnen deze keuzes logisch zijn.

Maar zonder architectuur ontstaat snel een verzameling policies die elkaar overlappen.

Een goed Intune-ontwerp kijkt naar samenhang

Een beter model is:

Identity

Enrollment

Configuration

Applications

Security

Compliance

Access

Monitoring

Lifecycle

Iedere functie beïnvloedt andere onderdelen.

Daarom moet Intune als één managementsysteem worden ontworpen.

Hoe weet je of je Intune-omgeving goed is ingericht?

Een goede omgeving heeft niet alleen veel policies.

Je zou bijvoorbeeld moeten kunnen beantwoorden:

  • Welke apparaten beheren we?
  • Welke apparaten mogen enrollen?
  • Welke policies zijn kritisch?
  • Wie is eigenaar van iedere policy?
  • Welke pilotgroepen bestaan?
  • Welke applicaties zijn blocking tijdens Autopilot?
  • Wat maakt een apparaat compliant?
  • Welke Conditional Access-policies gebruiken compliance?
  • Welke configuraties overlappen?
  • Hoe worden oude devices verwijderd?
  • Hoe worden wijzigingen getest?

Als deze antwoorden niet duidelijk zijn, kan optimalisatie nodig zijn.

Heb je Intune al jaren in gebruik?

Dan is de belangrijkste vraag misschien niet meer:

Welke functies heeft Intune?

maar:

Gebruiken we deze functies eigenlijk goed?

Na verloop van tijd kunnen ontstaan:

  • oude configuration profiles;
  • dubbele policies;
  • verouderde securitysettings;
  • ongebruikte groepen;
  • testconfiguraties;
  • policy conflicts;
  • te brede assignments;
  • stale devices;
  • onduidelijke uitzonderingen.

Een periodieke Intune Health Check kan helpen dergelijke problemen zichtbaar te maken.

Samenvatting

De belangrijkste functies van Microsoft Intune zijn veel breder dan alleen device management.

Intune kan worden gebruikt voor:

  • Device Management;
  • Device Enrollment;
  • Configuration Profiles;
  • Application Management;
  • App Protection Policies;
  • Endpoint Security;
  • BitLocker;
  • Microsoft Defender;
  • Windows Firewall;
  • Security Baselines;
  • Compliance Policies;
  • Conditional Access;
  • Windows Autopilot;
  • Windows Update Management;
  • Wi-Fi;
  • VPN;
  • certificaten;
  • PowerShell;
  • Remediations;
  • Remote Actions;
  • reporting;
  • RBAC;
  • groups;
  • filters;
  • BYOD;
  • cloud-native Windows management;
  • endpoint lifecycle management.

De belangrijkste waarde ontstaat wanneer deze functies als één samenhangende endpointmanagementarchitectuur worden gebruikt.

Een organisatie hoeft niet iedere Intune-functionaliteit te implementeren.

De juiste combinatie hangt af van:

  • apparaten;
  • gebruikers;
  • securityrequirements;
  • applicaties;
  • beheerorganisatie;
  • compliance;
  • bestaande infrastructuur.

Welke Intune-functies passen bij jouw organisatie?

Wil je Intune inzetten voor Windows Autopilot, applicaties, endpoint security, compliance, BYOD of cloud-native Windows-management, maar weet je niet welke onderdelen je eerst moet configureren?

Stel je Microsoft Intune-vraag aan EndpointPilot.

Beschrijf je huidige omgeving en wat je wilt bereiken. Zo kan de juiste Intune-aanpak worden bepaald voordat er onnodig veel policies worden gebouwd.


Microsoft Intune professioneel laten implementeren?

Wanneer je een nieuwe Intune-omgeving wilt opzetten of bestaande endpointprocessen naar Microsoft Intune wilt brengen, kan EndpointPilot helpen met het ontwerpen en configureren van een veilige en beheersbare omgeving.

De implementatie kan onder andere betrekking hebben op enrollment, Windows Autopilot, applicaties, configuration profiles, endpoint security, compliance en Windows Update Management.

Bekijk de Microsoft Intune Implementatie-service van EndpointPilot.


Gebruik je Intune al en wil je weten of de omgeving nog optimaal is ingericht?

Wanneer Intune al langere tijd wordt gebruikt, kunnen oude policies, dubbele instellingen, onduidelijke assignments en historische uitzonderingen zich opstapelen.

Een structurele beoordeling kan helpen om security, beheerbaarheid en eenvoud te verbeteren.

Bekijk Microsoft Intune Health Check & Optimalisatie van EndpointPilot.

EndpointPilot

Contact

© 2026 EndPointPilot. All rights reserved. Ontworpen door Ben Kemp.

Ontdek meer van EndpointPilot

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder

Ontdek meer van EndpointPilot

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder