Microsoft Intune groepen en assignments ontwerpen: gebruikersgroepen, apparaatgroepen, filters en deployment rings

Een Microsoft Intune-policy configureren is meestal niet het moeilijkste onderdeel van endpointbeheer.

De moeilijkere vraag is:

Aan wie moet deze policy worden toegewezen?

Een verkeerd ontworpen assignmentstructuur kan ervoor zorgen dat applicaties bij de verkeerde gebruikers terechtkomen, configuraties elkaar overlappen, uitzonderingen onduidelijk worden en nieuwe policies direct duizenden apparaten beïnvloeden.

Daarom zijn groepen, assignments, filters en deployment rings geen administratief detail. Ze vormen een belangrijk onderdeel van de Intune-architectuur.

In deze gids bekijken we hoe u een schaalbaar assignmentmodel voor Microsoft Intune ontwerpt zonder tientallen onnodige groepen en uitzonderingen te creëren.

Microsoft Intune groepen en assignments ontwerpen: gebruikersgroepen, apparaatgroepen, filters en deployment rings
Microsoft Intune groepen en assignments ontwerpen: gebruikersgroepen, apparaatgroepen, filters en deployment rings

Waarom zijn Intune-assignments zo belangrijk?

Vrijwel alles wat u binnen Microsoft Intune configureert, moet uiteindelijk ergens worden toegepast.

Denk aan:

  • Configuration Profiles;
  • Settings Catalog policies;
  • compliance policies;
  • Endpoint Security policies;
  • applicaties;
  • PowerShell-scripts;
  • remediation-functionaliteit;
  • Windows Update policies;
  • Windows Autopilot-profielen;
  • App Protection Policies.

De technische configuratie vertelt Intune wat er moet gebeuren.

De assignment bepaalt waar het moet gebeuren.

Conceptueel:

Policy

Target

Applicability

=

Effectieve configuratie

Een uitstekende security policy die aan de verkeerde apparaten wordt toegewezen, blijft een slechte implementatie.


1. Begin niet met groepen, maar met requirements

Een veelgemaakte fout is om direct tientallen Microsoft Entra-groepen aan te maken.

Begin eerst met de vraag waarom apparaten of gebruikers verschillend behandeld moeten worden.

Voorbeelden:

RequirementMogelijke segmentatie
Alle Windows-gebruikers krijgen Microsoft 365 AppsGebruikers
Alle corporate Windows-laptops krijgen BitLockerApparaten/platform
Finance krijgt een financiële applicatieGebruikersgroep
Developers krijgen ontwikkeltoolsGebruikersgroep
Kiosk-apparaten krijgen specifieke configuratieApparaatgroep
Pilotgebruikers ontvangen beleid eerstDeployment ring
Persoonlijke apparaten krijgen ander beleidFilter/device-eigenschap
Specifieke hardware krijgt uitzonderingFilter of gerichte devicegroep

Het uitgangspunt moet dus zijn:

Requirement → doelgroep → assignment

en niet:

groep → bedenken wat we ermee kunnen doen.


2. Begrijp het verschil tussen gebruikers- en apparaatgroepen

Binnen Intune kunnen veel configuraties worden toegewezen aan gebruikers of apparaten.

Die keuze heeft belangrijke gevolgen.

User targeting

Bij user targeting volgt de configuratie in principe de gebruiker.

Dit is logisch wanneer de requirement betrekking heeft op:

  • gebruikersrechten;
  • gebruikersapplicaties;
  • persoonlijke instellingen;
  • afdelingsspecifieke software;
  • gebruikerservaring;
  • bepaalde security- of accessscenario’s.

Voorbeeld:

Een medewerker van Finance moet de financiële applicatie krijgen ongeacht welke beheerde laptop hij gebruikt.

Dan is een gebruikersgerichte assignment logisch.

Device targeting

Bij device targeting volgt de configuratie het apparaat.

Dit is logischer voor:

  • kioskdevices;
  • shared devices;
  • specifieke hardware;
  • apparaatconfiguratie;
  • device security;
  • bepaalde Autopilot-scenario’s;
  • infrastructuurgebonden configuraties.

Voorbeeld:

Een receptiecomputer moet altijd in kioskmodus functioneren, ongeacht welke medewerker zich aanmeldt.

Dan ligt device targeting voor de hand.


3. Gebruik een eenvoudige beslisregel

Een praktische vraag bij iedere assignment is:

Hoort deze requirement bij de persoon of bij het apparaat?

Bijvoorbeeld:

RequirementWaarschijnlijk target
Finance-applicatieUser
Marketing-applicatieUser
BitLockerDevice
KioskconfiguratieDevice
Shared PC-configuratieDevice
Persoonlijke gebruikersinstellingUser
Hardware-specifieke instellingDevice
Algemene bedrijfsapplicatieUser of Device, afhankelijk van lifecycle
Windows securitybaselineVaak Device
BYOD App ProtectionUser

Er bestaat geen universele regel die voor iedere Intune-setting geldt. Kijk altijd naar het gedrag van de specifieke policy en het gewenste resultaat.


4. Maak niet voor iedere policy een aparte groep

Dit is een van de belangrijkste ontwerpprincipes.

Stel dat een organisatie 100 policies heeft.

Als iedere policy een eigen groep krijgt, ontstaat al snel:

GRP-INTUNE-POLICY-001

GRP-INTUNE-POLICY-002

GRP-INTUNE-POLICY-003

enzovoort.

Dat is technisch mogelijk, maar operationeel onhandig.

Groepen moeten bij voorkeur een herkenbare business- of deploymentfunctie vertegenwoordigen.

Bijvoorbeeld:

GRP-INTUNE-PILOT-USERS

GRP-INTUNE-FINANCE-USERS

GRP-INTUNE-DEVELOPERS

GRP-INTUNE-KIOSK-DEVICES

GRP-INTUNE-SHARED-DEVICES

GRP-INTUNE-EARLY-PRODUCTION

Dezelfde relevante groep kan vervolgens voor meerdere samenhangende assignments worden gebruikt.


5. Ontwerp een groepsmodel

Een praktische Intune-omgeving kan groepen in verschillende functionele categorieën verdelen.

CategorieVoorbeeld
PilotGRP-INTUNE-PILOT-USERS
ProductieGRP-INTUNE-PRODUCTION-USERS
AfdelingGRP-INTUNE-FINANCE-USERS
ApplicatieGRP-INTUNE-APP-SAP-USERS
Device typeGRP-INTUNE-KIOSK-DEVICES
PlatformGRP-INTUNE-WINDOWS-DEVICES
UitzonderingGRP-INTUNE-EXC-SPECIFIC-CONTROL
RolloutGRP-INTUNE-EARLY-PRODUCTION

Niet iedere organisatie heeft al deze categorieën nodig.

Een omgeving met 50 gebruikers kan aanzienlijk eenvoudiger zijn dan een organisatie met 20.000 endpoints.


6. Gebruik duidelijke naamgeving

Wanneer groepen alleen namen hebben zoals:

Pilot

Windows

Apps

Test

wordt na verloop van tijd onduidelijk waarvoor ze bedoeld zijn.

Gebruik een consistente conventie.

Bijvoorbeeld:

GRP-[PLATFORM]-[FUNCTION]-[TARGET]

Daarmee krijgt u bijvoorbeeld:

GRP-INTUNE-PILOT-USERS

GRP-INTUNE-APP-FINANCE-USERS

GRP-INTUNE-KIOSK-DEVICES

GRP-INTUNE-EXC-BITLOCKER-DEVICES

De exacte conventie is minder belangrijk dan consistent gebruik.


7. Gebruik statische groepen waar dat logisch is

Een statische groep heeft expliciet beheerde leden.

Dit is zeer bruikbaar voor bijvoorbeeld een kleine pilotgroep.

Stel:

GRP-INTUNE-PILOT-USERS

bevat acht medewerkers uit verschillende afdelingen.

Het endpointteam bepaalt bewust wie deelneemt.

Dat geeft maximale controle.

Statische groepen zijn vooral praktisch wanneer membership een bewuste organisatorische beslissing is.


8. Gebruik dynamische groepen voor objectieve kenmerken

Dynamische groepen kunnen membership automatisch bepalen op basis van eigenschappen.

Dat kan zeer krachtig zijn.

Denk bijvoorbeeld aan apparaten die op basis van een relevant kenmerk automatisch in een bepaalde groep terechtkomen.

Hiermee kan een beheerproces worden geautomatiseerd.

Maar dynamische groepen moeten zorgvuldig worden ontworpen.

Een verkeerde regel kan immers automatisch veel meer objecten selecteren dan bedoeld.

Daarom geldt:

Test de membershipregel voordat u kritieke policies aan de groep koppelt.


9. Gebruik filters om assignments verder te verfijnen

Intune assignment filters kunnen zeer waardevol zijn wanneer u een brede doelgroep wilt gebruiken, maar de applicability verder wilt beperken.

Conceptueel:

Assignment

→ brede doelgroep

Filter

→ welke apparaten binnen die context daadwerkelijk van toepassing zijn

Stel bijvoorbeeld dat een policy aan een brede groep gebruikers wordt toegewezen, maar alleen op corporate Windows-apparaten moet worden toegepast.

Een passend filter kan helpen om de doelgroep te verfijnen zonder voor iedere technische variatie een nieuwe Entra-groep te creëren.

Dit kan het aantal groepen aanzienlijk verminderen.


10. Groepen en filters zijn niet hetzelfde

Gebruik groepen voor:

wie of welke beheerde populatie

Gebruik filters voor:

op welke relevante apparaten binnen die assignmentcontext

Een conceptueel voorbeeld:

Alle medewerkers

Assignment

Filter: corporate Windows-apparaten

Policy wordt alleen daar toegepast waar bedoeld

Dit is vaak efficiënter dan meerdere bijna identieke groepen onderhouden.


11. Wanneer gebruikt u een groep en wanneer een filter?

Een eenvoudige beslismatrix:

SituatieGroepFilter
Finance-medewerkers
Pilotgebruikers
Developers
KioskpopulatieMogelijk
Alleen corporate devices
Specifieke device-eigenschapMogelijk
OS-/devicekenmerkMogelijk
Businessrol
Applicatietoegang
Technische verfijning binnen brede assignment

Denk hierbij aan groepen als populaties en filters als applicability-logica.


12. Gebruik All Users en All Devices bewust

Intune maakt brede targeting mogelijk.

Dat is nuttig voor policies die daadwerkelijk universeel moeten gelden.

Maar brede targeting vergroot ook de impact van fouten.

Een verkeerde instelling die aan een testgroep van vijf apparaten is toegewezen, heeft een beperkte impact.

Dezelfde fout op vrijwel de volledige devicepopulatie kan een serieus incident veroorzaken.

Gebruik brede assignments daarom alleen wanneer:

  • de policy daarvoor bedoeld is;
  • de policy getest is;
  • uitzonderingen bekend zijn;
  • de impact begrepen wordt;
  • rollback mogelijk is.

Breed targeten is een productiestap, geen teststrategie.


13. Bouw deployment rings

Deployment rings behoren tot de belangrijkste veiligheidsmechanismen binnen een professionele Intune-omgeving.

Een praktisch model:

RingDoelgroepDoel
Ring 0EndpointteamTechnische validatie
Ring 1IT PilotEerste operationele test
Ring 2Business PilotRepresentatieve gebruikers
Ring 3Early ProductionBeperkte productie
Ring 4Broad ProductionAlgemene uitrol

Hiermee ontstaat:

Ring 0

Ring 1

Ring 2

Ring 3

Ring 4

Een wijziging beweegt gecontroleerd door de organisatie.


14. Waarom alleen een IT-pilot niet voldoende is

IT-medewerkers zijn zelden representatief voor de volledige organisatie.

Zij gebruiken vaak andere:

  • applicaties;
  • rechten;
  • hardware;
  • workflows;
  • peripherals;
  • netwerkverbindingen.

Daarom moet een business pilot verschillende gebruiksscenario’s bevatten.

Bijvoorbeeld:

Finance

HR

Sales

Operations

Management

Remote workers

Power users

De kwaliteit van de pilot wordt bepaald door representativiteit, niet alleen door het aantal deelnemers.


15. Gebruik dezelfde ringfilosofie voor verschillende Intune-componenten

Deployment rings zijn niet alleen relevant voor Windows Updates.

U kunt dezelfde methodiek gebruiken voor:

  • Configuration Profiles;
  • security policies;
  • applicaties;
  • scripts;
  • remediation;
  • compliancewijzigingen;
  • Autopilot;
  • belangrijke configuratiewijzigingen.

Een standaard changeflow kan bijvoorbeeld zijn:

Development

Technical Test

IT Pilot

Business Pilot

Early Production

Broad Production

Hiermee wordt gefaseerde deployment onderdeel van de operationele werkwijze.


16. Ontwerp exclusions uiterst zorgvuldig

Exclusions zijn soms noodzakelijk.

Maar iedere exclusion creëert een afwijking van de standaard.

Bijvoorbeeld:

Security Policy

→ alle Windows-apparaten

Exclude

→ GRP-INTUNE-EXC-SECURITY-CONTROL

Dat kan technisch noodzakelijk zijn.

Maar documenteer minimaal:

VeldVoorbeeld
ExclusionLegacy application devices
RedenApplicatie incompatibel
OwnerApplication Owner
Goedgekeurd doorSecurity
StartdatumDatum
ReviewdatumDatum
Compensating controlIndien relevant
EinddoelExclusion verwijderen

Een exclusion zonder owner of reviewdatum wordt gemakkelijk permanent.


17. Voorkom een exclusion-cultuur

Wanneer iedere uitzondering wordt opgelost door nóg een exclusiongroep te maken, ontstaat langzaam een omgeving waarin niemand meer weet welk beleid werkelijk geldt.

Bijvoorbeeld:

Base Policy

minus

Exception Group A

minus

Exception Group B

minus

Legacy Group

minus

VIP Group

minus

Temporary Group

minus

Test Exclusion

Dit wordt snel onbeheersbaar.

Gebruik daarom het principe:

Uitzonderingen moeten uitzonderlijk blijven.


18. Vermijd VIP-groepen zonder technische reden

Een veelvoorkomend anti-pattern is:

VIP USERS

waarbij senior management minder security controls krijgt omdat bepaalde maatregelen als lastig worden ervaren.

Dat is riskant.

Juist accounts met toegang tot gevoelige informatie kunnen aantrekkelijke doelwitten zijn.

Een functietitel is daarom op zichzelf geen goede technische reden voor minder beveiliging.

Als een uitzondering noodzakelijk is, behandel deze als een formele risk exception.


19. Denk goed na over applicatie-assignments

Applicaties hebben vaak andere assignmentrequirements dan configuratiepolicies.

Maak bijvoorbeeld onderscheid tussen:

Required

Applicatie wordt automatisch geïnstalleerd.

Available

Gebruiker kan applicatie via Company Portal installeren.

Uninstall

Applicatie moet worden verwijderd.

Voorbeeld:

ApplicatieTargetIntent
Microsoft 365 AppsMedewerkersRequired
Finance-appFinanceRequired
VisioGelicentieerde gebruikersAvailable/Required volgens beleid
Developer ToolDevelopersAvailable
Legacy AppMigratiegroepRequired
Oude VPN-clientMigratiegroepUninstall

Assignmentdesign wordt hiermee onderdeel van application lifecycle management.


20. Pas op met conflicterende assignments

Een gebruiker of apparaat kan lid zijn van meerdere groepen.

Daarmee kunnen verschillende policies hetzelfde endpoint bereiken.

Bijvoorbeeld:

Windows Baseline

Finance Configuration

Remote Worker Configuration

Security Policy

Pilot Policy

Wanneer deze allemaal verschillende settings configureren, kan overlap ontstaan.

Daarom is een goede policyarchitectuur net zo belangrijk als de groepsarchitectuur.

Gebruik bij voorkeur:

Eén policy = één duidelijke verantwoordelijkheid.

Zo wordt sneller zichtbaar waar een bepaalde instelling vandaan komt.


21. Bouw een assignmentmatrix

Voor grotere omgevingen is een assignmentmatrix bijzonder nuttig.

Bijvoorbeeld:

PolicyTargetFilterExclusionRingOwner
WIN-Security-BitLockerWindows ProductionCorporateException GroupProductionEndpoint
WIN-Edge-BaseAll UsersWindowsGeenProductionEndpoint
WIN-Pilot-SecurityPilot UsersWindowsGeenPilotSecurity
APP-FinanceFinance UsersWindowsGeenProductionApp Owner
WIN-KioskKiosk DevicesKioskGeenProductionEndpoint

Hiermee wordt onmiddellijk zichtbaar hoe policies door de omgeving worden verspreid.


22. Documenteer het doel van iedere groep

Een groepsnaam alleen is niet voldoende.

Documenteer:

Naam

Doel

Owner

Membershiptype

Membershiplogica

Gebruikte assignments

Securityimpact

Reviewfrequentie

Bijvoorbeeld:

EigenschapWaarde
NaamGRP-INTUNE-PILOT-USERS
DoelRepresentatieve Intune-pilot
TypeStatic
OwnerEndpoint Team
Leden15
GebruikConfig, apps, security
ReviewMaandelijks

Dit voorkomt zogenaamde orphaned groups waarvan niemand meer weet waarom ze bestaan.


23. Maak ownership expliciet

Iedere belangrijke groep moet een eigenaar hebben.

Dat geldt vooral voor:

  • applicatiegroepen;
  • security exceptions;
  • pilotgroepen;
  • privileged populations;
  • speciale devicegroepen.

Voor een Finance-applicatie kan bijvoorbeeld Finance of de applicatie-eigenaar bepalen wie toegang nodig heeft, terwijl IT verantwoordelijk blijft voor de technische deployment.

Dat is governance.


24. Ontwerp voor joiners, movers en leavers

Een goede groepsarchitectuur moet ook werken wanneer medewerkers:

in dienst komen

van functie veranderen

van afdeling veranderen

tijdelijk een andere rol krijgen

uit dienst gaan

Stel dat iemand van Sales naar Finance verhuist.

Idealiter leidt een wijziging in identity- of groepsmembership ertoe dat:

Sales-applicaties verdwijnen

Finance-applicaties beschikbaar komen

relevante policies veranderen

toegang wordt aangepast

Hoe minder handmatige uitzonderingen daarvoor nodig zijn, hoe schaalbaarder het model.


25. Gebruik businessrollen waar mogelijk

Een volwassen architectuur koppelt technische configuratie zoveel mogelijk aan begrijpelijke bedrijfsrollen.

Bijvoorbeeld:

Finance User

→ Finance apps

→ relevante toegang

→ relevante configuration

Developer

→ Development tools

→ aanvullende technische configuratie

Standard User

→ standaardapplicaties

→ standaardsecurity

→ standaardconfiguration

Zo wordt endpointbeheer onderdeel van identity- en lifecyclemanagement.


26. Scheid productie en test logisch

Testobjecten mogen niet willekeurig tussen productieobjecten staan.

Gebruik bijvoorbeeld duidelijke namen:

GRP-INTUNE-TEST-WINDOWS

GRP-INTUNE-PILOT-USERS

GRP-INTUNE-EARLY-PRODUCTION

GRP-INTUNE-PRODUCTION-USERS

Hetzelfde geldt voor policies:

TEST – WIN – Edge – Configuration

PILOT – WIN – Edge – Configuration

of werk met een changeproces waarbij dezelfde gecontroleerde configuratie door deploymentfasen beweegt.

Welke aanpak u kiest is minder belangrijk dan duidelijke governance.


27. Maak rollout meetbaar

Een deployment ring moet niet alleen een groep zijn.

Definieer succescriteria.

Bijvoorbeeld:

MetricDoel
Policy deployment success≥ 98%
Applicatie-installaties≥ 97%
Kritieke incidenten0
ComplianceverliesGeen onverwachte daling
SupportticketsBinnen afgesproken grens
GebruikersimpactGeen blocker
Security exceptionsBeoordeeld

Pas wanneer de vorige ring stabiel is, gaat de wijziging naar de volgende.


28. Gebruik deployment rings ook als rollbackmechanisme

Gefaseerde uitrol beperkt niet alleen risico.

Het maakt stoppen eenvoudiger.

Stel:

Ring 0 → goed

Ring 1 → goed

Ring 2 → probleem

Dan hoeft Ring 3 en Ring 4 nog niets te ontvangen.

U kunt:

deployment stoppen

oorzaak onderzoeken

configuratie aanpassen

Ring 2 opnieuw testen

pas daarna verder uitrollen

Dit is aanzienlijk veiliger dan organisatiebrede wijzigingen.


29. Kleine organisatie? Houd het klein

Een organisatie met 50 gebruikers heeft meestal geen ingewikkelde assignmentarchitectuur nodig.

Bijvoorbeeld:

GRP-INTUNE-PILOT-USERS

5 gebruikers.

GRP-INTUNE-USERS

Overige medewerkers.

GRP-INTUNE-BYOD-USERS

Alleen indien relevant.

GRP-INTUNE-APP-SPECIAL-USERS

Alleen voor specifieke software.

Dat kan voldoende zijn.

Voeg geen enterprisecomplexiteit toe wanneer daar geen requirement voor bestaat.


30. Grote organisatie? Ontwerp governance vóór schaal

Bij duizenden endpoints verandert de situatie.

Dan kunnen bijvoorbeeld relevant worden:

  • meerdere regio’s;
  • verschillende businessunits;
  • device ownership;
  • platformverschillen;
  • shared devices;
  • kiosks;
  • frontline workers;
  • verschillende applicatieportfolio’s;
  • lokale IT-teams;
  • meerdere deploymentrings;
  • security exceptions;
  • gespecialiseerde hardware.

Maar ook hier geldt:

standaardiseer eerst, segmenteer alleen waar noodzakelijk.

Een organisatie met 20.000 apparaten hoeft niet automatisch honderden verschillende endpointconfiguraties te hebben.


Voorbeeldarchitectuur voor Intune-assignments

Een schaalbaar model kan conceptueel zo worden opgebouwd:

Microsoft Entra ID

Business Identity

  • Standard Users
  • Finance
  • HR
  • Developers
  • Frontline

Intune Deployment

  • Pilot
  • Early Production
  • Broad Production

Device Context

  • Corporate
  • Personal
  • Windows
  • Mobile
  • Shared
  • Kiosk

Filters

Configuration / Apps / Security / Compliance

Exceptions

Monitoring

Hiermee worden businesscontext, rollout en technische devicekenmerken van elkaar gescheiden.


Voorbeeld: organisatie met 500 gebruikers

Stel dat een organisatie 500 medewerkers heeft.

De organisatie gebruikt voornamelijk Windows 11-laptops en Microsoft 365.

Er zijn daarnaast Finance-, HR- en Developer-applicaties.

Een mogelijke structuur:

GroepGebruik
GRP-INTUNE-RING0-ENDPOINTEndpointteam
GRP-INTUNE-RING1-ITIT-pilot
GRP-INTUNE-RING2-BUSINESSBusinesspilot
GRP-INTUNE-RING3-EARLYEarly Production
GRP-INTUNE-FINANCEFinance-apps
GRP-INTUNE-HRHR-apps
GRP-INTUNE-DEVELOPERSDevelopmenttools
GRP-INTUNE-KIOSK-DEVICESKioskbeleid
GRP-INTUNE-EXC-APP01Tijdelijke uitzondering

Algemene Windows-security hoeft daarbij niet per afdeling verschillend te zijn.

Alle afdelingen kunnen dezelfde standaardbaseline gebruiken.

Dat is standaardisatie.


Wat is een slecht assignmentmodel?

Een omgeving wordt moeilijk beheersbaar wanneer u patronen ziet zoals:

één groep per policy

één groep per instelling

veel handmatig beheerde devicegroepen

onduidelijke testgroepen

permanente tijdelijke groepen

veel exclusions

geen group owners

geen documentatie

geen deployment rings

directe brede productieassignments

overlappende policies

namen zoals Test1, Test2, NewTest en FinalTest

Dit zijn signalen dat de omgeving organisch groeit zonder architectuur.


Assignment governance

Maak assignments onderdeel van change management.

Een nieuwe productieassignment moet minimaal antwoord geven op:

VraagVereist
Wat verandert er?Ja
Waarom is dit nodig?Ja
Welke doelgroep?Ja
User of Device target?Ja
Filter nodig?Indien relevant
Exclusions?Indien relevant
Pilot uitgevoerd?Ja
Impact beoordeeld?Ja
Rollback mogelijk?Ja
Owner bekend?Ja
Documentatie bijgewerkt?Ja

Zo voorkomt u dat assignments ongecontroleerd ontstaan.


Periodieke opschoning

Een Intune-omgeving verandert voortdurend.

Applicaties verdwijnen.

Projecten eindigen.

Pilotgroepen worden vervangen.

Uitzonderingen zijn niet meer nodig.

Voer daarom periodiek een review uit van:

groepen

filters

assignments

exclusions

testobjecten

ongebruikte policies

oude applicaties

owners

dynamische membershipregels

Vraag bij ieder object:

Heeft dit nog een actuele business- of technische functie?

Zo niet, verwijder het gecontroleerd.


Praktische checklist voor Intune-groepen en assignments

Controleer voordat u het assignmentmodel breed gebruikt:

✓ requirements zijn bekend;

✓ user- en device-targeting bewust worden gekozen;

✓ groepsnamen consistent zijn;

✓ groepen een duidelijke functie hebben;

✓ groepsowners zijn vastgelegd;

✓ statische en dynamische groepen bewust worden gebruikt;

✓ dynamische regels zijn getest;

✓ filters worden gebruikt waar ze groepen kunnen vereenvoudigen;

✓ All Users en All Devices alleen bewust worden gebruikt;

✓ pilotgroepen aanwezig zijn;

✓ deployment rings zijn gedefinieerd;

✓ businessgebruikers onderdeel zijn van de pilot;

✓ exclusions worden gedocumenteerd;

✓ uitzonderingen een owner en reviewdatum hebben;

✓ applicatie-assignments logisch zijn ingericht;

✓ conflicterende assignments worden voorkomen;

✓ assignmentmatrix beschikbaar is;

✓ joiner/mover/leaver-processen zijn meegenomen;

✓ rolloutcriteria meetbaar zijn;

✓ periodieke cleanup is gepland.


De belangrijkste ontwerpregel

Een professionele Intune-omgeving heeft niet zoveel mogelijk groepen nodig.

Het doel is juist het tegenovergestelde:

Zo weinig mogelijk groepen en uitzonderingen, maar zoveel als noodzakelijk om duidelijke requirements veilig uit te voeren.

Een goed assignmentmodel is begrijpelijk.

Een beheerder moet kunnen kijken naar een policy en snel kunnen beantwoorden:

Wat doet deze policy?

Voor wie geldt deze policy?

Waarom geldt deze policy daar?

Welke uitzonderingen bestaan?

Wie is eigenaar?

Hoe is deze policy getest?

Als die vragen moeilijk te beantwoorden zijn, is de assignmentarchitectuur waarschijnlijk te complex geworden.


Van groepen naar Configuration Profiles

Zodra de targetingarchitectuur staat, kan de volgende laag worden ontworpen:

Configuration Profiles.

Daarbij ontstaan nieuwe vragen:

Welke instellingen horen bij elkaar?

Wanneer gebruikt u Settings Catalog?

Hoe voorkomt u policy overlap?

Hoe maakt u een Windows-baseline?

Hoe gaat u om met oude Group Policies?

En hoeveel Configuration Profiles heeft een organisatie werkelijk nodig?

Dat is de volgende stap in een gestructureerde Microsoft Intune-implementatie.


Verder lezen over Microsoft Intune

Lees ook:

Microsoft Intune: complete gids voor modern endpointbeheer

Microsoft Intune implementeren: stappenplan van voorbereiding tot productie

Microsoft Intune implementatie checklist: 50 punten die u vóór de uitrol moet controleren

Microsoft Intune tenant voorbereiden: 20 instellingen en ontwerpkeuzes vóór de implementatie

Microsoft Intune pilot opzetten: hoe test u Intune vóór de productie-uitrol?

Microsoft Intune basisconfiguratie: welke instellingen moet u als eerste configureren?


Hulp nodig met uw Intune-groepen en assignments?

Is uw Intune-omgeving inmiddels gevuld met groepen, policies, filters en uitzonderingen en wordt het steeds moeilijker om te bepalen welke configuratie op welke apparaten terechtkomt?

Of wilt u vóór een nieuwe Intune-implementatie een schaalbare assignmentarchitectuur ontwerpen?

Stel uw Intune-vraag — uw eerste vraag is gratis.

Beschrijf kort hoeveel gebruikers en apparaten u beheert, welke platformen u gebruikt en hoe uw huidige groepen en assignments zijn ingericht. Wij geven u een eerste praktisch advies over mogelijke verbeteringen.

Stel gratis uw Intune-vraag →

EndpointPilot

Contact

© 2026 EndPointPilot. All rights reserved. Ontworpen door Ben Kemp.

Ontdek meer van EndpointPilot

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder

Ontdek meer van EndpointPilot

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder